Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Mijn jas lag al in de Merwedestraat - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Mijn jas lag al in de Merwedestraat

Na twee jaar bij VAF, vloeistofmeetapparatenfabriek gelegen naast scheepswerf De Biesbosch aan de Staart, waar ik werkzaam was als metaaldraaier, begon ik half juni 1953 als tekenaar/werkvoorbereider bij Lips Brandkasten- en Slotenfabrieken.
Ik had een voorkeur voor het zware werk en kreeg dus te maken met brand- en inbraakwerende kasten en deuren, voor mensen en bedrijven die iets veilig wilden opbergen.

Nieuwe opdrachten kwamen binnen van vertegenwoordigers. Dat waren niet zomaar mannen, o nee, dat waren heren die goed gekleed waren, die er keurig uitzagen, die sigaren rookten en die zeer welbespraakt contact hadden met de vele banken die er toen waren.
Ik voelde mij daar een kleine jongen bij en leerde een wereldje kennen van rangen en standen en merkte ook dat sommige mensen macht hadden door hun kennis en hun positie.

Lips was een familiebedrijf waar door vakmensen mooie en degelijke producten werden gemaakt. Het oude Lips, eens begonnen als kachelsmederij, was uitgegroeid tot twee moderne fabrieken waar kwaliteitssloten en prachtige kluisdeuren werden gemaakt voor vrijwel alle banken en instellingen.
Lips was goed voor zijn mensen. Er hing een soort familiegeest en veel mensen werkten er voor het leven. In de hal was tegen de wand een groot jubileumbord, waartegen aan koperen spijkertjes meer dan honderd plaatjes hingen in zilver of goud met de namen van mensen die er tien, vijfentwintig jaar of nog langer werkten.

Toen ik twaalf jaar bij het bedrijf werkte, leerde ik, omdat ik regelmatig in de fabriek kwam, Joop den Otter kennen. (Hij schreef voor deze website het verhaal 'Werkplaatsgevecht bij Lips'.)
De toestand die hij beschrijft, was voor mij herkenbaar. Ik weet van zijn gevecht met de afdelingsbaas en ook dat hij op staande voet werd ontslagen. Ik was daardoor zeer ontdaan, omdat ook die baas geen lieve jongen was. Het was in een tijd van spanningen in het bedrijf. Tarieven en levertijden moesten worden gehaald en waar dit niet door efficiency werd bereikt, werden de mensen onder druk gezet.

Het zal een paar jaar later zijn geweest dat er een vrachtauto het Lips-terrein op kwam rijden met een lading betonmengsel voor het vullen van kluisdeuren. Een aardige vent sprong uit de cabine om te vragen waar hij moest zijn met zijn vracht. Hij was het, Joop den Otter! Ik was blij dat ik hem zag en dat hij vertelde dat het hem goed ging.

Dat is nu al weer vierenveertig jaar geleden en met Lips is er in die tijd ook veel gebeurd. Eind jaren zeventig werd een nieuwe tekenkamer voor ons gebouwd. Het was een mooie, lichte ruimte en alles had goed kunnen zijn als de verwarming en luchtverversing maar niet in het plafond hadden gezeten. Ik had last van die blaaslucht. Er werden mensen bijgehaald die met een apparaatje rook maakten zodat je de luchtstroom kon volgen, maar waar ze mij ook plaatsten, die stroom kwam op mijn nek. Ik ben er ziek van geworden. Heb als een ouwe man, verkrampt en krom van de spierpijn, thuis gezeten, totdat het weer ging. Maar daarna begon het opnieuw.
Ik kwam lang thuis te zitten en zat daar uren voor mij uit te staren. De nieuwe bedrijfsleider kwam mij thuis opzoeken. Met een gulden in zijn hand ging hij voor mijn neus zitten en vertelde dat die twee kanten heeft... Later drong het tot me door dat ik in mijn overspannenheid die man toen best had willen doodschieten.

Ik werkte alweer een poos halve dagen en dat ging, maar het ging met de zaak niet goed. De banken begonnen hogere eisen stellen. Het bedrijf werd een kind met een waterhoofd. De Lipsjes hadden zich teruggetrokken en een nieuwe directeur ging aan het moderniseren, nam nieuwe mensen aan, maakte veel vrienden, benoemde zeven directeuren en ging over het hele bedrijf allerlei mensen ontslaan. Het jubileumbord uit de hal werd door twee man in de afvalcontainer gemieterd. Hupsakee!

De voorname, deftige sfeer van vroeger was helemaal weg. De elektronica deed zijn intrede, maar Lips had daar geen kaas van gegeten. Dus keken de banken uit naar andere mogelijkheden. Meer dan het simpele ijzerwerk is het bij Lips niet geworden en in de periode dat ook ik ontslagen zou worden, namen ze tegen hoge lonen jonge afgestudeerde mannen aan om de zaak met nieuwe technieken te redden.

Ik werd bij de personeelschef geroepen.
'Wat moet ik met jou, Frans?' zei hij. 'Ik moet je ontslaan, maar je werkt halve dagen.'
'Ik wil je afkeuren.'
Ik zei daarover na te moeten denken, maar hij had, zei hij, maar tien minuten voor mij.
Ik had geen keus. Hij haalde de papieren uit zijn lade en zei me waar ik moest tekenen en dan kon ik gaan.

Collega's zeiden dat mijn jas al in de Merwedestraat lag. En die humor zou ik missen, want ik had fijne collega's, zoals oud-voetballer Wim van der Gijp, die gereedschapsconstructeur was.
Na precies dertig jaar ging ik voorgoed naar huis en vreemd genoeg kon ik wel juichen.


Frans Teerlink