Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Het sneeuwt lijken boven de polder - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Het sneeuwt lijken boven de polder

'Goh pap, je liep rond alsof je er thuis was.'
De woorden van mijn volwassen dochter gaven precies het gevoel weer dat het prachtige museum bij mij opriep. Telkens als ik het knusse Huis Van Gijn aan de Nieuwe Haven bezoek, adem ik de sfeer van herkenbaarheid en warmte, terwijl in werkelijkheid niets van alles wat er te zien en te beleven is ook maar in de verste verte aan mijn leven likt. De aristocratische Van Gijn zelf is ooit van Vlaardingen naar Dordrecht verhuisd, terwijl het mij juist andersom is vergaan. Ik bezoek met enige regelmaat en veel plezier dat prachtige herenhuis waarin je je altijd weer even honderd jaar terug waant in de tijd.

Vanuit het warme en sfeervolle negentiende-eeuwse gebouw stapten wij de heerlijke februarizon tegemoet en met een sjaal om en de jas dichtgeknoopt zou ik mijn dochter hebben voorgesteld het eerste terrasje van het jaar te pikken op het Scheffersplein, ware het niet dat ik nog graag even een rondje liep om de haven en dus sloegen we linksaf de kade op.
Na enkele meters ontwaarde ik een man op leeftijd met twee kinderen; een jongetje van een jaar of twaalf, dat geboeid luisterde naar wat de man te vertellen had en een meisje dat een paar jaar jonger leek en verveeld een verse vondst uit haar neus peuterde. Terwijl opa uitleg gaf over iets dat zich enkele meters verder achter een smeedijzeren hek bevond, keek de jongen naar het voorwerp erachter. Ik vertraagde mijn pas toen we het gezelschap naderden en drukte zacht op de arm van mijn dochter, waarmee ik haar duidelijk maakte hetzelfde te doen.
'Het was een dag als vandaag,' zo sprak de man. 'Een maand lang was het geweldig koud geweest. Op de rivier lag een dikke laag ijs, zodat je naar de overkant kon lopen, naar Papendrecht. En weet je, lieve kinderen, het lijkt alsof de tijd sneller gaat als het koud is. Kou zit je op de hielen. Warmte vertraagt. Je kunt lopen tegen een muur van warmte, maar kou grijpt je naar de strot. Het doet je sneller bewegen. Die lange januarimaand was kouder geweest dan ooit; de temperatuur kwam nauwelijks boven het vriespunt. Maar op die dag leken de eerste stralen van de februarizon de strijd met de winter te gaan winnen. De laatste sneeuwresten werden gretig door hen opgeslokt.'

Mijn dochter en ik bleven staan. De stem van de rijzige man klonk als de ronkende motor van een ouderwets vliegtuig: donker, eentonig, maar spannend tegelijk. Hij was nog van de oude stempel en gebruikte mooie woorden. Ik was nieuwsgierig naar zijn verhaal. De sympathieke bejaarde zakte iets door zijn knien en keek recht in het gezicht van de kleine jongen. Deze keek zijn grootvader aan met een niet-begrijpende blik. Toch sprak er het verlangen uit dat opa vooral verder zou vertellen. Ik schatte dat in die kruisende blik een kleine zeventig jaar moest worden overbrugd.
De oude man wees op het voorwerp verderop achter het hek.
'We zagen hem vanuit de verte al aankomen,' zei hij, 'en het was alsof we wisten dat er iets te gebeuren stond. Hij kwam uit de richting van de Moerdijkbrug en wij stonden op de Krommedijk. Het liep al tegen de avond en de tijd leek even stil te staan. Er waren niet veel mensen op straat, omdat al snel de avondklok van kracht zou zijn.'
'Wat is een avondklok, opa?' vroeg het jongetje. En ook mijn dochter keek mij vragend aan.
'Dat betekende dat je na een bepaalde tijd niet meer op straat mocht zijn, jongen. Je liep dan de kans te worden opgepakt door de Duitsers.'

Toen pas zag hij dat ook mijn dochter en ik waren geboeid door zijn verhaal, maar hij ging onverstoorbaar verder.
'Het zachte gebrom van de vier motoren werd luider en luider. Toen het vliegtuig boven de polder vloog achter de Wieldrechtse Zeedijk konden we zien dat het Engelsen waren. Plotseling klonk een fel geratel. Afweergeschut dat de Duitsers hadden gestationeerd in de buurt van Wieldrecht. Eensklaps spoot een fel oranje vlam uit de staart van het vliegtuig en er volgde een doffe knal. Het vliegtuig helde iets voorover en tegelijkertijd tuimelden zes zwarte pakketjes uit het brandende toestel: de bemanning die zich met hun parachute in veiligheid probeerden te stellen. Zes kleine figuurtjes hingen enkele seconden aan een illusie van hoop, en waanden zich op het nippertje ontsnapt aan de dood. Toen klonk wederom het geratel van het afweergeschut en waren wij daar op de Krommedijk getuige van een zinloze en lafhartige moord op de bemanning van het Engelse vliegtuig. Zes levenloze lichamen bungelden traag naar beneden in het vurig rood van de ondergaande februarizon. Het sneeuwde lijken boven de polder. We zagen hoe de piloot als zevende bemanningslid in de cockpit met zijn Halifax over landgoed Dordwijk scheerde en daarna neerstortte in de nog lichtbevroren grond van de Twintighoevenweg.'

Ik bespeurde een zweem van vermoeidheid in de stem van de oude man en hij slaakte een diepe zucht toen hij even pauzeerde.
'En dat is, kinderen, wat er nog over is van die verschrikkelijke gebeurtenis.'
Hij wees met een gebalde vuist naar het roestige ding een eindje verderop achter het hek. Eronder lag een steen met een koperen plaatje waarop te lezen stond:
'Propeller van Halifax
4-motorig vliegtuig
7 bemanningsleden
19..'
De juiste datum was niet goed meer te lezen.
Ik kneep zacht in de arm van mijn dochter, wenste de man en de kinderen nog een goede dag en liep langzaam in de richting van de Varkenmarkt.

'Wat een verhaal, pap. Kende jij het?' vroeg mijn dochter na een poosje.
'Nee,' antwoordde ik haar beslist. 'Ik ken wel de Twintighoevenweg. Daar heb ik voor de allereerste keer met een meisje gezoend,' zei ik enigszins beschaamd.
We waren doorgelopen en de geschiedenis van de oude man had de warmte van het museum Van Gijn doen verkillen.
'Dat met dat meisje, dat is niks geworden, toch?' klonk het enigszins cynisch uit de mond van mijn dochter. In n klap bracht ze het prettige gevoel van die middag toch weer terug.
'Ze was mooi, en intelligent en lief,' antwoordde ik. 'Een dochter van de wethouder. Maar het is niks geworden, nee. Want ze was ook mager, niet slank, maar echt dun. Mager als een... als een skelet!'
'Nou schei uit. Dat vind ik nou geen leuke grap! Wat zei die man ook weer, pap? Het sneeuwde lijken boven de polder? Da's gek gezegd, vind je niet?'
'Ja, een beetje luguber is het zeker.'

Een bizar beeld van een polder waar ik nog nooit op die manier naar had gekeken. Voor mij was die polder mijn eerste vakantiebaantje, toen ik er aardbeien ging plukken bij een boer. Van die mooie bloedrode vruchten. En dubbeltje kreeg ik, voor een mandje vol. Soms legden we er een steen onderin. Later heb ik veel in diezelfde polder gewandeld met mijn hond. We maakten lange tochten en als we wat uitrustten, lag ik vaak met mijn rug in het gras en telde ik de vliegtuigen die uit het zuiden kwamen, op weg naar Schiphol, met de eerste vakantiegangers uit Spanje.

Vrijwel ongemerkt had mijn dochter mij een kroegje in geloodst aan het einde van de Nieuwe Haven en we namen plaats aan een leeg tafeltje in de hoek van het bijna lege caf. Ze bestelde twee Leffe dubbel. Ik staarde uit het raam en mijn aandacht werd getrokken door een spierwit, prachtig gerenoveerd pand aan de achterkant van de Varkenmarkt.

Oudejaarsavond, schoot het door mij heen. Het zal rond 1959 zijn geweest, toen daar nog een oom en tante van mij woonden en wij er met de hele familie oud en nieuw vierden. Het was de eerste keer dat ik mocht wakker blijven tot twaalf uur. Er was geen televisie of radio aan. Maar het nieuwe jaar werd aangekondigd door de vele schepen in de haven die, als afgesproken, tegelijkertijd, precies om twaalf uur het nieuwe jaar aankondigden.
'Waar denk je aan?' vroeg mijn dochter na een poosje.
'Ach, niks.'
'Waarom zit je dan zo naar dat huis aan de overkant te staren?'
'Daar heb ik... ach laat maar. Da's zomaar een herinnering. Ik weet het niet meer zo precies. Dat is wat er gebeurt met oude herinneringen: het zijn verschillende foto's die in elkaar lijken te vloeien, zodat er uiteindelijk een nieuw beeld ontstaat. Een werkelijkheid die nooit de waarheid zal zijn.'
'Wel een indrukwekkend verhaal daarstraks van die oude man, h.'
Ze bracht met routine het grote kelkglas naar haar lippen en een kleine schuimkraag bleef achter als een snorretje. Ze voelde het en likte het schuim van haar bovenlip. We moesten er allebei om lachen.
'Ja. Indrukwekkend was het zeker. Ik geloof alleen niet dat het helemaal klopt. Met kleine letters las ik namelijk op een bordje aan het hek, dat de propeller afkomstig was van een Halifax die uit de Oosterschelde is opgevist?'
'Maar die polder en de plek waar het vliegtuig neerstortte. Dat klopte toch allemaal wel?'
'Zonder twijfel. Ik ken die plekken maar al te goed. Hoewel het er nu heel anders uitziet dan toen. Wist je trouwens dat ik in diezelfde polder ook nog aardappels heb gerooid?'
'Maar waarom deed je dat dan? Jullie kochten toch gewoon aardappels bij de groenteboer?'
'Toen jij werd geboren had ik tijdelijk geen werk. Ons huis was onverkoopbaar. We hadden te maken met de kleine crisis van begin jaren negentig en je moeder en ik hadden nauwelijks geld om eten te kopen. Dus haalde ik gratis de aardappels van het veld die overgebleven waren als de boer al had gerooid. Nooit eerder aten we zulke lekkere verse piepers.'
'Maar daar hebben mama en jij ons nooit iets over verteld!'
Het gezicht van mijn lieve meid stond ineens in de stand serieus.
'Och kind, wij hebben gelukkig de oorlog niet meegemaakt. Dat niet. Maar net als ieder mens hebben ook wij soms moeten vechten. Ieder leven kent zijn eigen strijd; met overwinnaars en verliezers. Wat overblijft zijn nooit de mensen, nooit hun spullen, en zelden hun ideen of gedachten. Maar wat overblijft, zijn de verhalen, niets anders dan verhalen. Dat is wat rest.'

Jan Polderman