Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
De oude zeeman - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
De oude zeeman

Op een dag, terwijl ik de hond uitliet, op het grasveld bij de Slangenburg, kwam ik hem tegen: een grijze man met een verweerd gezicht, een baardje en een fors postuur. In gedachten noemde ik hem al meteen 'de zeeman'. En zoals ik al snel zou ontdekken: daar zat ik niet ver naast.

'Als ik u was, zou ik maar naar huis gaan, er komt een behoorlijke bui aan,' zei hij toen hij me zag.
Hij had de woorden nog niet uitgesproken, of het begon te regenen.
'Kom maar mee, ik woon hier in de flat,' nodigde hij me uit.
Even aarzelde ik. Tenslotte kende ik hem niet. Maar hij leek geen kwaad in de zin te hebben, dus ging ik op de uitnodiging in.

Eenmaal in zijn flat kreeg ik het gevoel in een museum te zijn. Overal hingen en stonden de meest exotische voorwerpen.
Cheka, mijn hond, snuffelde nieuwsgierig rond. De oude man leek het allemaal prima te vinden. Hij zette thee en zodra we allebei zaten, begon hij te vertellen. Hij had zijn hele leven gevaren, maar aan wal moeten gaan toen zijn gezondheid verslechterde.
Hij keek verdrietig. 'Voor mij geen zeemansgraf...' zei hij zacht. Ik had met hem te doen, maar wist niet hoe ik hem moest troosten. Dus wees ik aarzelend op een groen jade beeldje dat vlakbij stond en vroeg waar het vandaan kwam. Dat was een goede ingeving: het gezicht van de man klaarde op, en hij begon te vertellen.

Het was al opgehouden met regenen toen hij zijn verhaal beŽindigde. Voor mij de hoogste tijd om naar huis te gaan.
'Kom nog eens langs,' zei hij bij het afscheid. Dat zou ik zeker doen. De oude man was een boeiend verteller en achter de andere voorwerpen in het huis zaten vast nog veel meer verhalen. Bovendien zag hij verder helemaal niemand. In zijn bestaan was nooit plaats geweest voor een gezin, en alle vrienden die hij had gehad, waren net als hij zeelui.

In de dagen en weken die volgden, werd het een ritueel: Cheka uitlaten, aanbellen bij de oude man en zodra we aan de thee zaten een voorwerp aanwijzen. Vervolgens zat de kapitein - zoals ik hem inmiddels noemde - een uur of langer op zijn praatstoel.
Na een paar dagen vroeg ik hem of hij het goed vond dat ik een klein recordertje meenam om de verhalen te kunnen bewaren. Hij stemde toe.

Op een dag, terwijl hij zat te vertellen, greep de kapitein ineens naar zijn borst, en zakte in elkaar.
Snel belde ik 112. 'Een ambulance, vlug!' riep ik, en gaf het adres en de situatie door.
De kapitein was bij bewustzijn, maar zijn ogen stonden vreemd.
'Kapitein, niet weggaan! Ze zijn onderweg om u te helpen,' zei ik smekend.
De kapitein zei niets, maar aan zijn ogen kon ik zien dat hij me verstond. Ik wist niets beters te doen dan maar te blijven praten.
Na een eeuwigheid werd er eindelijk aangebeld. Ik deed open en liet de ambulancebroeders binnen. De broeders legden hem op de brancard.
'Bent u familie?' vroeg een van hen.
Ik schudde mijn hoofd.
'Weet u of meneer familie heeft?'
'Nee, die heeft hij niet. Ik ben de enige die hier komt.'
Omdat ik niet mee mocht met de ambulance, bracht ik zo snel als ik kon Cheka naar huis en spurtte op mijn scooter richting ziekenhuis.

De kapitein lag op de intensive care. Eerder had hij me, ondanks zijn leeftijd, stoer en sterk geleken, maar daar was nu niets meer van over. Verbonden aan allerlei draden lag hij stil en kwetsbaar in het witte bed. Maar hij was bij bewustzijn.
'Ha, maatje,' zei hij zacht zodra hij me zag.
'Kapitein...' begon ik, maar de blik in zijn ogen maakte duidelijk dat ik stil moest zijn.
'Maatje, luister goed.' Hij keek om te zien of ik ook daadwerkelijk luisterde. Ik keek hem aan.
'Maatje, ik heb een paar weken terug mijn testament laten veranderen. Jij erft mijn verzameling...' Hij stopte even om op adem te komen, '...en de rest van mijn spullen. Zorg er goed voor.'
'Aye, aye, captain,' zei ik, terwijl ik met mijn rechtervuist op mijn borst sloeg. Intussen vroeg ik me af waar ik alles moest laten, want de flat van de kapitein was groter dan die van mij. Ik had de moed niet hem tegen te spreken.

Nog een paar keer kon ik de kapitein bezoeken. In die tijd ging hij hard achteruit.
Tijdens het laatste bezoek zei hij: 'Maatje, ik vertrek binnenkort op mijn laatste reis.'
Ik knikte, en vocht tegen mijn tranen.
De andere ochtend werd ik gebeld: de kapitein was die nacht in zijn slaap overleden.

Volgens zijn wens werd hij gecremeerd en ik kreeg zijn as. Daarna volgde een bezoek aan de notaris.
De inhoud van het testament kende ik al, maar toch kwam er nog een verrassing. De notaris overhandigde me een bosje sleutels en vertelde me dat deze hoorden bij een boot die in de jachthaven van Sliedrecht lag.
Omdat ik mijn nieuwsgierigheid niet kon bedwingen, ging ik er meteen naar toe. In de haven viel ik bijna van de steiger van het lachen. Het bootje waar de sleutels bij hoorden kende ik maar al te goed. Regelmatig had ik tegen mijn collega's gegrapt dat ik het ding wel voor een appel en een ei van de eigenaar zou willen overnemen, om het een hoognodige opknapbeurt te geven. En alsof het was voorbestemd, was het nu van mij.
Even had ik het idee dat de kapitein me van boven een vette knipoog gaf.

Ik had totaal geen verstand van het onderhouden van een boot. Dus liet ik hem grondig inspecteren door iemand die er wel kijk op had. Van het geld dat ik had geŽrfd, schafte ik alle noodzakelijke spullen aan.
Ik sloeg aan het klussen: ik zaagde, timmerde en schilderde, en had de tijd van mijn leven. De andere 'bewoners' van de haven kwamen nieuwsgierig kijken naar wat ik uitspookte. Sommigen wezen veelbetekenend naar hun voorhoofd. Anderen gaven me adviezen of brachten eten.
Zodra ik zeker wist dat de boot zou blijven drijven, had ik mijn vaarbewijs gehaald. Nu bracht ik een slaapzak en wat andere spullen aan boord en apetrots startte ik de motor. Met de urn van de kapitein aan boord zette ik koers naar de kust.

Mijn bootje was natuurlijk niet bedoeld om op zee te varen, maar toch waagde ik me een klein stukje buitengaats. Met de urn van de kapitein in mijn handen kroop ik op het voordek. Daar haalde ik het deksel van de urn en keerde hem om boven het water.
Ik keek toe hoe de as werd opgenomen door de golven. De kapitein was thuis?
Ik keerde de boot en voer in de richting vanwaar ik gekomen was.

Het kostte wat onderhandelingen, maar een paar maanden later opende een museum in de stad een blijvende tentoonstelling met de souvenirs van de kapitein.

Ingeborg Kooiman