Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Het Monster van Sterrenburg - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Het Monster van Sterrenburg

Verondersteld mag worden dat het algemeen bekend is dat de kromme flat aan de Octant in de wijk Sterrenburg pakweg een half dozijn fanatieke hengelaars herbergt, allemaal ruimschoots 55+.
Tijdens de mooie zomerdagen komen ze uit hun appartementen, bepakt en bezakt met allerlei spullen waarvan zij denken dat die noodzakelijk zijn om een visje te verschalken. Omdat ze niet meer zo piepjong zijn, laden ze dan de hele bups in en op een boodschappenkarretje, want gesjouwd en gezwoegd hebben ze hun hele leven al.
Een voor een, op ongelijke tijden, wandelen ze naar de plantsoenvijvers die rondom de flat liggen. Daar installeren ze zich met de verbeten wil om niet te vertrekken voor er een 'zooitje' gevangen is.
Er is echter één uitzondering, of eigenlijk zijn het er twee: Dingeman de Ridder en Jan de Deugd gaan vrijwel altijd samen. Ze staan elkaar bij tijdens moeilijke momenten, bijvoorbeeld als het schepnet gehanteerd moet worden na het aanbijten van een zware vis. Er gaat altijd wel iets mis met die twee. Het is zelfs voorgekomen dat het transportkarretje van Jan met alles erin en erop te water raakte. Maar dat zijn dan nog zaken die ze kunnen 'mannen'.
Erger was het met de reuzensnoek. Reuzensnoek? Ja, reuzensnoek! Wat een kreng van een beest. Hadden ze van tijd tot tijd, soms na uren wachten eindelijk een visje aan de haak dat ze wilden binnenhalen, dan gebeurde het vaak dat een bullebak van een snoek het spartelende visje van de haak vrat. Soms raakte het roofdier zelf ook vast aan de haak, maar er viel niet aan te denken dat ze het monster konden binnenhalen, zeker niet met de lichte vistuigjes waarmee onze hengelaars hun geluk beproefden. Na een paar geweldige klappen in het water van de doorgaans stille vijver volgde een vrolijke plons, waarna het beest zich met een laatste staartklap een goed heenkomen zocht.
Aanvankelijk had het tweetal er lol om, maar nadat het vaker voorkwam, voelden ze zich voor joker staan, omdat de snoek steeds de strijd won en zij met kapot vistuig bleven zitten. Ze besloten dus het dier te vangen en elders uit te zetten, onder het motto: ga maar eens een ander pesten, wij hebben schoon genoeg van jou.

De werphengel werd klaargemaakt door Jan, bijgestaan door Dingeman. Een sterke lijn op de molen en een stevige haak eraan. Een klein visje als aas, dat met een fikse worp bijna aan de overkant in het gras plofte. Het ging nog net goed. Het aas belandde op de plek die Jan bedoeld had.
Maar het werd niks. De snoek liet zich dagenlang niet zien, behalve dan op de dag dat de nijvere vissers nog geen aasvisje gevangen hadden. Ze zaten al uren uitgezakt op hun stoeltje, toen Dingeman eindelijk een klein visje dacht te vangen. Meteen dook weer dat akelige monster op zijn vangst. Nou was dat visje wel bedoeld als aas om daarmee de reuzensnoek te vangen, maar de snoek had even moeten wachten tot het visje aan de haak van de werphengel zou zijn aangebracht. De rover speelde dat spelletje echter niet mee. Hij snoepte het visje van het haakje en dook weer weg, de beide vissers verbijsterd achterlatend.
Jan en Dingeman zwoeren - indachtig het spreekwoord 'de aanhouder wint' - wraak en nadat ze weer een visje hadden gevangen, werd de werphengel in actie gebracht. Ze waren extra gemotiveerd om die snoek een hak te zetten, omdat het hele toneeltje met veel plezier was gadegeslagen door een drietal andere hengelaars uit de Octantflat.
Na enige tijd met de werphengel bezig te zijn geweest, was het raak! De snoek had aangebeten. Ze zagen dat het inderdaad hun plaaggeest was, die zich verschrikkelijk verzette tegen de pogingen van Jan de Deugd om het monster op de kant te krijgen. Het lukte bijna? Ze kregen hulp van een van de andere hengelaars; de grootste die we hebben in onze flat. Wim de Goede greep het schepnet van Jan en deed verwoede pogingen het beest erin te krijgen. Het was een kabaal van jewelste. Het scheelde maar weinig of Wim was te water geraakt, maar uiteindelijk had hij de snoek voor een deel in het schepnet. Het andere deel ging zo verschrikkelijk tekeer dat het schepnet, dat kennelijk al heel lang zijn beste dagen achter zich had, kapot ging. Onder kreten van teleurstelling van Jan en Dingeman, alsmede de bassende lach van Wim, trok de snoek een sprintje en was weg, met medeneming van de haak en een stuk van de nylonlijn.

Het verhaal van de snoek werd onder de bewoners steeds kleurrijker doorverteld, wat Jan en Dingeman nog meer sterkte in hun verlangen Het Monster van Sterrenburg mores te leren. Een min of meer toevallige ontmoeting bracht uitkomst.
Wachtend op de lift trof het wakkere tweetal, juist weer terug van een ochtend vissen, Wim Ammelrooij, de gewiekste palingvisser. Hij beloofde een geschikt vistuig voor hen te maken, waar de snoek geen antwoord op zou hebben. De volgende dag was Jan in het bezit van een wel heel vreemdsoortig vistuig. Wim-de-palingvisser had een lang eind koord van een kapotte Luxaflex-zonwering voorzien van een grote gesmede haak. Hij zwoer dat je daarmee wel een haai kon binnenhalen. Niet helemaal overtuigd, wel van de sterkte van het vistuig maar minder van de effectiviteit, trokken de broeders in de vissport ten strijde.

Het was die dag eigenlijk geen visweer, althans niet voor verwende gepensioneerden, maar ze hadden geluk, veel geluk. Al vlot vingen ze een mooie aasvis en bevestigden die aan de gesmede haak van Wim Ammelrooij.
Jan smeet na enkele vergeefse pogingen de zware lijn met daaraan de vis een flink eind van zich af en bond het koord aan zijn hengelsteun vast. Daarna ging het tweetal als gewoonlijk door met vissen, maar ze wierpen steelse blikken op het koord waaraan de aasvis zich bewoog.
Het niet verwachte, het ongelooflijke, het bevrijdende gebeurde! Het Monster van Sterrenburg had zich in zijn vraatzucht vastgebeten aan de aasvis en daarmee aan de gesmede haak van de palingvisser. Het beest rukte aan de lijn die Jan inmiddels stevig in zijn handen had genomen. Deze keer hadden niet Jan en Dingeman het nakijken, maar de reuzensnoek.
Met het koord een paar maal om zijn vuist gedraaid liep Jan achteruit. Door het gevecht met de lijn kwam de snoek een paar maal bijna geheel boven water. Nu zagen ze pas echt hoe groot het beest was.
Niet goed wetend wat te doen liep Jan verder achteruit en trok met een vaart de snoek op het droge. Dingeman hielp hem de haak uit de bek van het monster te verwijderen en ze schatten hoe groot het dier wel was. Het moest meer dan een meter lang zijn. De grote bek met vlijmscherpe tanden was bijna angstaanjagend. De mannen hijgden van de inspanning die ze hadden geleverd, maar gezamenlijk droegen ze de enorme vis naar de overkant van de weg en deponeerden hem in het water van het Sterrenburgpark.

Wim Jilleba