Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Een ijzige herinnering - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Een ijzige herinnering

Met mijn handen diep in mijn zakken verborgen en weggedoken in mijn opgestoken kraag, staarde ik in de verte naar een ver verleden. Daar, half weggezonken in het moerassig veldje lag het zwarte geraamte van een oude koets. De straffe oostenwind zong een eentonig lied door de spijlen van het Heras-hekwerk waarachter ik stond. Het terrein was hermetisch afgesloten voor onbevoegden. Er was geen enkele kans dat ik de koets zou kunnen benaderen. Met het rechterachterwiel half verscholen onder de grond en de bomen die ooit een paardenspan leidden in een hoek van 45 graden naar de hemel opgeheven, leek het rijtuig op een slachtoffer dat schreeuwend om hulp met zijn laatste krachten de armen opheft naar de hemel. Zo, in die stand, had de onverwacht intredende vorst hem gevangen en zou de arme duvel moeten wachten op de lente, wanneer men hem vond. Of hij zou voorgoed verder wegzinken in het stinkende slijk en zijn laatste rustplaats vinden in 'ons' veldje achter de hts aan de Celebesstraat.

Het is januari 1977 en de gemeente heeft nieuwe plannen met het stukje grond waar ik een groot deel van mijn jeugd dagelijks doorbracht met vriendjes uit de buurt. We speelden verstoppertje en rookten er later stiekem onze eerste sigaret. Black Beauty, gepikt van mijn vader. Ik kocht ze bijna dagelijks voor hem bij sigarenboer Boogers juist om de hoek. Na het roken van de zware tabak kotsten we er ons hart uit achter de koets, die er ook toen al verlaten bij lag. De zwarte katoenen kap van het rijtuig hing jarenlang aan flarden om het ijzeren frame, en de dikke zitkussens waar de veren vervaarlijk uitstaken verspreidden een muffige geur die ik mijn leven lang niet zal vergeten. Niemand wist hoe het vehikel daar terecht was gekomen en wie ooit de eigenaar was geweest. Vaak fantaseerden mijn vriendjes en ik over lange tochten met een prachtig span sterke paarden ervoor of we speelden een overval. Een enkele keer namen we een meisje mee dat dan werd gegijzeld, of beter gezegd gekaapt, want het woord gijzelaar bestond nog niet.
's Zomers stonk het op het veldje vaak naar moeras en verrotting, maar elk jaar lag het er lange tijd bevroren bij. En terwijl een koude rilling mij er aan herinnert dat het tijd wordt om op te stappen, schiet me te binnen hoe wij ons verheugden op de komst van het eerste ijs van het jaar. Hoe wij stoer over de dun bevroren plassen struinden en regelmatig met een nat pak thuiskwamen, omringd door de stinkende moeraslucht die onder het verse ijs bewaard werd. Of hoe wij aanklopten bij het kleine café op de hoek van de straat, ingeklemd tussen de bakker waar het altijd heerlijk rook naar versgebakken brood en de kapper met zijn prachtig rood-wit-blauwe zuil aan de voorgevel. We mochten dan onze natte kleding drogen bij de grote staande zwarte kachel in de hoek van de gelagkamer.
Kom, dacht ik, een goede borrel zal mij zeker aangenaam verwarmen. Ik wilde me omdraaien om op weg te gaan naar het cafeetje, toen mijn blik plotseling viel op het schreeuwerige bord dat was geplaatst op grote houten palen vlak achter het hekwerk. Ik las hardop de naam van de projectontwikkelaar die de bouw van het nieuwe complex had aangenomen. Daaronder stond in grote vette letters wie de nieuwe bewoner zou zijn van 'ons' landje: een moderne verzekeraar. Een firma die zich zou bezighouden met hypotheken en verzekeringen in allerlei soorten en maten. Bouw gereed: januari 1978.
Ik keek nog eenmaal in de verte naar het oude rijtuig, of wat er van over was, en zag dat de laagstaande januarizon mijn meterslange schaduw tilde tot vlak bij de koets. Hoe graag had ik nog eens met mijn hand het koude staal van de verweerde kap aangeraakt; nog één keer even heen en weer gewipt op de vermolmde bomen, die hoogstwaarschijnlijk zouden afbreken als ik er op zou plaatsnemen. Met de jaren was ook mijn gewicht toegenomen.
Ik wendde mij af van het melancholieke beeld uit het verleden en liet met trage pas het bouwterrein achter me. Ik wist zeker dat mijn schaduw me zou volgen op weg naar het café. Maar aangekomen bij het einde van de straat zag ik, wat ik al vermoedde: de bakker, de kapper en het cafeetje hadden alle drie plaats moeten maken voor een modern gebouw. Een bank die vond dat iedereen zijn geld moest beleggen in aandelen en andere ingewikkelde systemen. Een tweede koude rilling die dag teisterde mijn rug. Nog eenmaal keek ik in de richting van de plek waar de oude koets binnenkort zou verdwijnen in het geweld van bulldozers en kranen. En ik wist dat er definitief een nieuwe tijd was aangebroken.

Januari 2009. Ik ben nog eens teruggereden naar de Celebesstraat. Terug naar de plek waar ooit die oude koets lag. Waar later moderne verzekeringskantoren en bankgebouwen verrezen. Ik herken er bijna niets meer. Achter de ramen van de troosteloze gebouwen brandt nergens licht op deze donkere januarimiddag. De gebouwen zien er verlaten uit. De verzekeraars en bankiers zijn voorgoed vertrokken. Ik denk nog eens aan dat bizarre beeld uit het verleden: het veelbelovende bord dat voorgoed het einde aankondigde van die prachtige oude koets, half verscholen onder het eerste ijs van het jaar op 'ons' landje.
Ik draai me snel om. De gure oostenwind slaat mij keihard in het gezicht.

Jan Polderman