Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Tranen - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Tranen

Dat ik me in Dordrecht bevind kan nog naďeve onschuld zijn. Nadat Sjors me de deur had gewezen moest ik ergens naar toe. Vanwege een wisselstoring bleef de trein steken in Dordrecht. Wat maakt het uit waar je strandt na zes hopeloze huwelijksjaren? Maar hoe vertel ik mijn vrienden dat ik hier nog woon.
Die haventjes, die straatnamen, ze teren op de oude glorie van tweehonderd jaar geleden. Zelfs de inrichting van winkels en cafés is blijven hangen in die stijl. Geen plaats voor nieuwe, frisse geesten.

Het is zondag vandaag en ik doe het Rondje Dordt. Na een maand in deze stad is het al zover met me gekomen dat ik dit soort activiteiten op zondag onderneem. Een leuke jamsessie in een café, doordesemd van weedgeuren zoals destijds in Nijmegen, is er hier niet bij. Sterker nog, ik ben al een heel eind van de toeristische route afgeweken op zoek naar een kroeg die open is. Vergeet het maar, er heerst een gereformeerde zondagsrust. Alles en iedereen is hier even fantasieloos. Wie wil er bijvoorbeeld wat met Vincent van de Honing, Dordrechts trots? Een televisieprogramma presenteren met zo'n bril kan toch geen aanbeveling zijn. Zijn favoriete kroeg is nota bene Visser's Poffertjessalon!

En hoe moet het verder met mij? Uiteindelijk wil ik toch ook weer liefde en passie in mijn leven! Voorlopig heb ik gewoon dorst. Kijk, de Noordendijk, tot hier ging de Gouden Eeuw blijkbaar. Braakliggende gaten vol gebroken glas, distels en brandnetels liggen tussen de kleine arbeiderswoningen, hoekige flats en ook een paar nieuwbouwappartementen. De buurt is duidelijk in opbouw. Maar van wat? Plotseling sta ik met een schok stil . Hoe is het mogelijk: een café waarvan de deur gewoon open staat! Café De Vrijheid, lees ik. Donkerbruin, zoals de cafés in mijn Nijmeegse tijd. Aan de bar bestel ik een pilsje en kijk om me heen. Naast me zitten twee vrouwen. Aan de grote tafel in het midden een paar mannen die praten. Helemaal rechts, aan het tafeltje bij de deur, een man met een flinke buik, rossig haar en een grote snor. Hij staart naar buiten. Een zeeman, vermoed ik; per slot zitten we hier niet ver van Rotterdam. Op zijn linkerwang staan tranen getatoeëerd. Een beetje kinderlijk; dat ontroert me. Een zeeman die vaart naar ruige oorden. Naar Schotland, Scandinavië of de Baltische staten. Vol stormen en steeds weer nipt ontsnappen aan averij. Hij dweept vast met Freddy Quinn, en smacht bij liedjes vol verlangen naar verre havens. Wedden dat hij nog meer tatoeages heeft? En verdomd, als hij zijn hand opsteekt voor een pilsje zie ik de letters sex staan tussen de knokkels van zijn hand. Ineens draait de man zijn hoofd om naar mij. Misschien voelde hij dat ik hem bekeek. Hij staat op en komt mijn richting uit. De barman buigt zich naar me toe alsof hij me wil beschermen.
'Neuken?' vraagt de zeeman als hij naast me staat.
De vraag verwart me. Ineens besef ik dat ik Sjors' lijf al maanden niet gevoeld heb. Ondanks al zijn gekleineer was sporadisch vrijen met hem het enige lichtpuntje in onze uitzichtloze relatie. 'Nee, eh, ja,' stuntel ik als de ruige man me indringend blijft aankijken.
'Geef me even de sleutel, Ap,' hoor ik hem zeggen.
Ap aarzelt. 'Nou vooruit, maak deze keer dan nog gebruik van mijn liefdesschuilplaats. Volgende keer betaal je ervoor hoor.'
'Volgende keer heb ik voor jou een andere klus gedaan.'
Ap zucht.

Mijn zeeman stapt het café uit en slaat een zijstraat in. Terwijl alle stemmen in mijn hoofd schreeuwen dat ik een idioot ben, loop ik gedwee achter hem aan. Water glinstert in het zonlicht. Een van de vele rivierarmen in en om Dordt, denk ik. Welke precies zal ik nooit kunnen onthouden. Plotseling blijft hij staan. Bijna bots ik tegen hem op, maar ik houd net op tijd in. Een lage arbeiderswoning is blijkbaar de eindbestemming. Zonder problemen opent hij de deur met Aps sleutel. Mompelend stommelt hij een verveloze trap op en ik hobbel dociel achter hem aan. Het overloopje heeft drie deuren. Bij de meest vale deur, vlekkerig grijs geschilderd, blijft hij staan. Vettige vingerafdrukken glimmen rond de ouderwetse draaiknop. Een rilling loopt over mijn rug. De deur gaat krakend open. Van achter zijn rug bekijk ik de ruimte. Het kamertje is sober ingericht. Een houten bed, een nachtkasje dat nog net op zijn door wormen aangevreten poten kan staan en een wankele stoel. De man stapt de kamer in en nu zie ik een raam, grauw van het stof, met aan weerszijden bruinige gordijnen. Hij loopt er onmiddellijk naar toe en trekt ze zorgvuldig dicht. En nu? denk ik. Ik weet niets anders te verzinnen dan me uit te kleden. Met mijn rug naar hem toe ontdoe ik me van mijn kleren en schiet meteen onder het oranje gebloemde dekbed. Gelukkig is het bed schoon, anders zou ik hem waarschijnlijk alsnog gesmeerd zijn. Hij neemt er iets meer tijd voor. In een kamer hiernaast hoor ik water kletteren in een wastafel. Dan gorgelt hij luid. Als hij weer binnenkomt licht zijn witte onderbroek vreemd hel op in de schimmige ruimte. Mijn aandacht wordt naar zijn buik getrokken. Zou hij niet te zwaar zijn? vraag ik me af. Maar als hij naast me in bed glijdt heb ik geen tijd meer om te denken. Mijn god, wat een man. Geen sex tussen zijn vingers maar seks ín zijn vingers. Overal voel ik ze, overal is ook zijn tedere mond. Begerig zoek ik de zijne, maar hij weet steeds weer een nieuw plekje op mijn lijf te vinden dat nog niet gezoend is.
'Kom,' roep ik, 'vul me!'
Maar hij gaat rustig door met zijn zoenende zoektocht op mijn hunkerend lijf. Alsof ik niets gezegd heb.
'Kom,' kreun ik, 'kom!' En ineens moet ik aan die Nijmeegse wethouder denken. Hoe heette hij ook weer? Klompstra, geloof ik. 'De gatenvuIler' noemden ze hem.
'Je hebt je hoofd er niet bij,' hoor ik hem plotseling mompelen. 'Zo wordt het niets.'
Hij heeft gelijk, bedenk ik. Ik probeer me op zijn spelende tong te concentreren, maar telkens dwalen mijn gedachten af naar die vreselijke Klompstra. Zou mijn vurige minnaar het merken?
Onverwacht wordt het licht naast me aangeknipt. De bovenste vingerkootjes van zijn wijs- en middelvinger ontbreken zie ik.
'Blijf nog maar even liggen meidje, a'je wilt,' zegt hij, 'ik moet er vandoor. Je kunt de sleutel aan Ap geven.'
Met zijn rug naar me toegedraaid kleedt hij zich aan. Zou hij niet alleen zijn vingerkootjes missen, vraag ik me plotseling af terwijl ik leeg en onbevredigd achterblijf. Het laatste wat ik zie zijn de getatoeëerde tranen op zijn linkerwang.

Nog twee dagen hou ik het uit. Dan stuif ik De Vrijheid binnen en kijk zoekend rond. Daar zit hij, weer aan hetzelfde tafeltje.
'Die tranen op je wang zijn er omdat je van de drank af wilt komen, hč,' schreeuw ik hem toe. 'Of heb je in het vreemdelingenlegioen gezeten?' fluister ik verschrikt.
'Nee, in een kindertehuis in Groesbeek.'
'In Groesbeek?' antwoord ik verbaasd. 'Dus je kent de Nijmeegse omgeving ook? Daar was tenminste nog wat te beleven. Als je iets aparts wilde was er altijd wel een student die met je meeging. En al die kroegen, ken jij ze ook? Hier in Dordt kun je ze op één hand tellen. In Nijmegen kon je bij elke stap die je deed kiezen uit vier kroegen!'
'Nee,' zegt hij. 'Twee keer ben ik uit geweest in de Vlaamse Gas. Maar na die ene steekpartij' - hij wijst op zijn stompige knokkels- 'hield ik het wel voor gezien. Vlak daarna ben ik trouwens weggelopen. Ik ben blij dat ik nu hier woon.'
Verbijsterd kijk ik hem aan. Hoe kan iemand beter af zijn in een plaats als Dordrecht?
'Je moet niet zo op Dordt neerkijken,' zegt hij. 'Nijmegenaren zijn stom. Ik heb niet veel tijd,' voegt hij eraan toe, 'maar je kunt wel een pilsje van me krijgen.'
Terwijl ik kleine slokjes bier drink, kijk ik naar zijn afgeknotte vingers en ik voel me rood worden. In mijn onderbuik laait het verlangen weer net zo hevig op als in de afgelopen twee dagen. 'Dag,' zegt hij. Weer ben ik alleen.

De volgende avond al storm ik het café binnen.
'Neuk me,' schreeuw ik hem toe, 'ik hou het niet meer uit.' Het kan me niet schelen dat iedereen me aankijkt.
'Trouw met me,' antwoordt hij.
Ik schud heftig nee. 'Trouwen doe ik nooit meer.'
'Dan niet.' Hij kijkt op zijn horloge en gaat weg. 'Daag.' In de deuropening groet hij me nog een keer. 'Dag.'

Dit keer zit ik op vrijdagmiddag al in het lege café. Ik ga aan de leestafel zitten. De Merwesteyn en De Dordtenaar heb ik inmiddels achterstevoren doorgenomen. En ook De Telegraaf lees ik van A tot Z. Om halfzes stapt hij binnen. Zonder op of om te kijken gaat hij aan zijn tafeltje zitten en staart naar buiten. Vlug loop ik naar hem toe en ga tegenover hem zitten.
'Ik stel een compromis voor,' zeg ik. 'Ik wil wél met je samenwonen.'
'Goed,' zegt hij, 'net op tijd' en kijkt op zijn horloge. 'Over een halfuur moet ik de kinderen halen. Ze komen terug van het herfstkamp. Ga maar mee.'
'Wanneer moet je weer naar zee?' vraag ik terwijl ik naast hem hobbel in de bus. 'En breng je de kinderen dan weer naar het schippersinternaat?'
'Hoe bedoel je? Wat moet ik doen op zee?'
'Je bent toch zeeman?'
'Wel nee, ik beun wat hier en daar.'
'Oh,' zeg ik.

En nu woon ik al drie maanden in deze Krispijnse woning. Hoge huizen, gehorige muren. Om me heen hoor ik Turks, Marokkaans, en scheldpartijen: die zijn vooral in het Nederlands. De twee kinderen, de een met een nog grotere frietbuik dan de ander, luisteren niet naar me. Soms luisteren ze naar hun vader, die ze Alfred noemen. Zo ben ik hem ook gaan noemen. Alfred. Geen Heino of Rex, en zeker geen Freddy. Soms kijk ik in de spiegel en zie mijn haren met de dag sliertiger worden. Mijn kleren vervalen, zodat ik niet meer opval achter de eettafel waaraan ik zo uitgebreid mogelijk kranten en reclamefolders doorneem. Steeds meer word ik een nietszeggend onderdeel van de huiselijke inrichting. Ik zucht, maar het levert me geen grammetje meer lucht op. Angstig kijk ik naar de gekromde poten van de zware eikenhouten meubelen in dit volgepropte huis. Het is net of ze zich schrap zetten, klaar om me te bespringen. En die roze porseleinen vaas met goudomrande roosjes boven op de sombere kabinetskast wil niets liever dan op mijn hoofd kapotvallen.

Er valt blijkbaar weinig te beunen dit seizoen. Alfred zit de godganselijke dag op zijn stoel naar de radio te luisteren. Tranen springen in zijn ogen bij de liedjes van Gert en Hermien. Hij huilt ook om hun dochters, die hij Sodom en Gomorra noemt.
'Dat het zover gekomen is met hen,' zegt hij. Maar 's avonds, als de kinderen naar bed zijn, bekijkt hij videobanden van hun optreden. Met zijn geslacht is niets mis. Elke avond word ik geneukt op een manier zoals het woord klinkt: zijn zware lijf drukt op me en na een paar minuten beuken is hij klaar.
'Jij komt in de vakantie wel aan je trekken,' steunt hij dan na. 'Jij moet je energie sparen voor het huishouden overdag.'
Had ik toen maar nooit mijn gedachten laten afdwalen naar die verdomde wethouder. Misschien was alles dan wel heel anders gelopen, peins ik vaak. Morgen, morgen ga ik bij hen weg.
Maar tegen de avond gloeit mijn hoop weer op en vlindert het weer in mijn buik. Alfred brengt zijn dochter Filine naar bed. Eindelijk, het is al halfelf.
Ik hoor Alfred en Filine duidelijk praten al fluisteren ze. De muren zijn van pap.
'Alfred,' fleemt het frietmonster, 'ik moet binnenkort weer een nieuwe traan op je wang kerven. De nieuwe moeder blijft niet lang meer. Of láát je het dit keer doen?'
'Nee,' zegt hij, 'dat kinderlijke gestuntel van jou op mijn wang vertedert de vrouwen juist. Nee, het is jouw taak.'
'Hoe komt het nou dat je haar niet hier kunt houden?' De stem van zijn dochter klinkt zeurderig en nasaal.
Even valt er een stilte. Dan volgt een diepe zucht. 'Ach, deze houdt ook niet echt van kinderen. Ze wilde Ivano groente laten eten en jij moest vroeger naar bed. Ze moeten niet altijd alles willen veranderen.'
En jij weet niets van vrouwenwensen, wil ik hem toeschreeuwen. Ik had alles kunnen verdragen, zelfs die dagelijkse frietwalm, als je toen totaal en volledig met me had gevrijd!
In plaats daarvan storm ik de kamer uit, been het gangetje in, ruk de voordeur open en knal hem keihard dicht. Als ik de stoep op loop, hoor ik dat de porseleinen vaas rinkelend stukvalt.

Nooit heb ik meer een voet gezet in de Jacob Marisstraat. Zelfs niet om zo'n versgebakken Turks brood te kopen. Wel zag ik Alfred vorige week. Op het Zuidplein in Rotterdam. Samen met Ivano. Ivano was even groot en net zo dik geworden als zijn vader. Ze sopten ramen van automobilisten voor het stoplicht. Ook mijn raam werd met een grote spons bewerkt. Geen van beiden herkende me.

Maria Ros