Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Het jongenskoor - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Het jongenskoor

Het zal geweest zijn in 1947 of daaromtrent. Ik zat op de padvinderij. De Andreasgroep kwam bijeen in de Nieuwstraat, waar op een zolder de ruimte voor de binnenactiviteiten was.
Een mede-welp, Kees van Lelieveld, zat op een knapenkoor en vroeg of ik een keer mee wilde. Daar zag ik wel wat in. Het koor beviel me wel, maar omdat er regelmatig op zondag werd gezongen in de Nieuwkerk, die hervormd was, moest ik thuis toestemming vragen. Wij waren namelijk gereformeerd. Mijn ouders vonden dat geen probleem. Het was trouwens niet zo streng bij ons thuis. We gingen 's zondags maar een keer naar de kerk, en mijn moeder had een mormoonse vriendin.

Het knapenkoor repeteerde in het huis van de dirigent, die Johann Sebastian Cannemeijer heette. Dat huis was ook in de Nieuwstraat, vlak bij het honk van de Andreasgroep.
We begonnen altijd met toonladders en stemoefeningen. Naa, nee, niee, noo, nuu bijvoorbeeld. Het repertoire van het koor bestond uit kerkelijke en klassieke liederen. Van Bach: Liebster Herr Jesu, wo bleibst du so lange, en ook Panis angelicus.
Mijn jongenssopraan was blijkbaar na enige tijd goed genoeg om me solo te laten zingen. Als we op tournee gingen, naar Oosterhout bijvoorbeeld, mocht ik solo zingen. En ook n keer in de kerstnachtdienst in de Augustijnenkerk. Ik stond op het orgel, op een stoof, omdat ik anders niet boven de balustrade uit kwam.
Toen de klok twaalf sloeg en de laatste slag geklonken had, zong ik Stille nacht. Mijn stem moet ijl geklonken hebben in die grote kerk. Een vriendin van mijn oudste zus, Lenie van Olderen, was onder het gehoor en complimenteerde me na afloop hartelijk.

Bij een bijzondere gelegenheid in de Nieuwkerk moesten we allemaal een fluwelen jasje aan met een witte kraag. Meisjesachtig vond ik het, en ik schaamde me. Maar het moest. Toen het moment daar was, liepen we in ganzepas door de kerk. Een langdurige kwelling! Maar toen we eenmaal begonnen te zingen was het gelukkig over.

Op een keer repeteerden we in de Grote Kerk het largo uit Xerxes van Hndel. Ik was naar de tandarts geweest en ik voelde me niet goed. Midden in de repetitie viel ik opeens flauw. De grotere jongens die achter me stonden vingen me op. Ik kwam weer bij, liggend op een bank, en keek recht omhoog naar de versieringen van het dak van de kerk. Prachtig! Dat maakte indruk.

Vaag staat me nog bij dat we met het koor op kamp gingen naar Ruurlo (of was dat met de Andreasgroep?). En ook dat we een feestavond hadden in Patrimonium, waar we onder meer iets zongen op de wijs van een Amsterdams lied over het Leidseplein.

In 1955 overleed de dirigent. Zijn schoonzoon, een slagerszoon uit de Vriesestraat, probeerde het koor nog een tijdje voort te zetten, maar dat lukte niet.

Nadat mijn stem brak, heb ik nooit meer in een koor gezongen. Ik hield van zingen, maar niet van de wekelijkse verplichting. In 1981 ben ik nog wel wezen kijken bij De Stem des Volks in Rotterdam, maar die mensen waren toen net zo oud als ik nu, en af en toe zongen ze behoorlijk vals.

Sinds begin 2007 zing ik weer. Elke week ga ik naar een Portugese zangeres, die me helpt mijn stem te ontwikkelen. We oefenen natuurlijk ook liederen en liedjes. Sinds kort ook een paar liederen die ik zestig jaar geleden in het knapenkoor zong: Ombra mai fu, Panis angelicus en Liebster Herr Jesu, wo bleibst du so lange. Met dank aan Johann Sebastian Cannemeijer

Kees Plaisier