Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Oom Adriaan - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Oom Adriaan

Oom Adriaan was oud, héél oud in mijn ogen; de ogen van een jongetje van een jaar of negen.

Oom Adriaan woonde in bij mijn opoe en opa van vaders kant. Hij sliep op de zolder waar mijn opa, knutselaar bij uitstek, een hoek voor hem had afgeschoten.
De bovenwoning die mijn grootouders bewoonden, bevond zich twee huisjes verwijderd van mijn ouderlijk huis. Wij woonden in de Hallincqhof. Voorwaar geen villawijk, maar zeker zo gezellig. De hof was een pijpenla van pakweg anderhalve meter breed, met aan de ene kant de gevels van de huizen en aan de andere kant de piepkleine tuintjes met dito zelfgebouwde schuurtjes.

Behalve oud was oom Adriaan ook slecht ter been, en gebruikte dus een wandelstok. Als ik hem in de hof ontmoette, viel het me steeds weer op hoe groot hij was, maar ook hoe goedig. Elke keer als ik hem - bijna letterlijk vanwege de engheid ter plaatse - tegen het lijf liep, bietste ik hem iets af. Meestal een of ander snoepje.
Ik groette hem altijd heel spontaan: 'Ha, ome Adriaan, hebbu nog een droppie voor me?' Telkenmale viste hij dan een dropje of pepermuntje uit zijn broekzak en gaf het me met een goedmoedige grom, het maximale geluid dat ik ooit van hem hoorde. Daarbij omvatte hij met zijn enorme hand mijn hoofd van bovenaf. Zijn duim drukte dan op mijn ene oor, zijn middelvinger op het andere. Zo schudde hij mijn hoofd zachtjes heen en weer en slofte zwijgend verder.

De grote passie van oom Adriaan was het schaakspel. Daar was hij, zo leek het, altijd mee bezig. Aan de grote tafel bij opoe thuis zat hij in zijn eentje met een schaakbord voor zich en speelde schaak, zonder tegenspeler. Vraag me niet hoe dat kan, want ik begrijp niets van het schaakspel. Daar moet je een zekere mate van intelligentie voor bezitten en ik ben bang dat de erfelijkheid in dat opzicht bij oom Adriaan is blijven steken.

Oom Adriaan schaakte ook echt, met tegenstanders, en wel in Park Merwesteyn, niet ver van de hof verwijderd.
Als het weer het toeliet, begaf hij zich daarheen en voegde zich op de in het park liggende heuvel bij zijn schaakmaten (of moet je bij het schaakspel spreken van partners?).
Op de heuvel die deze aanduiding nauwelijks verdiende, bevonden zich een paar banken waarop de mannen, schrijlings gezeten met het schaakbord tussen zich in, elkaar geconcentreerd te lijf gingen. Er heerste dan een serene rust, waaraan de vogelgeluiden geen afbreuk deden. Integendeel. De sigarenrook die hen omwalmde gaf er iets eigens aan. Ja, tijdens die uurtjes was de heuvel van die schakende oude mannen.

Dat oom Adriaan in het park schaakte, ontdekte ik doordat ik - op de vlucht voor de eigenaar van een belendende tuin, waar ik in vereniging met enige vriendjes getracht had perziken te gappen - de heuvel in volle snelheid nam. Tot mijn stomme verbazing ontwaarde ik oom Adriaan, schrijlings zittend op een der banken. Stof opwerpend kwam ik glijdend tot stilstand en kreet met overslaande jongensstem: 'Verrek jonges, daar zit me ome! Late we effentjies gaan kijke.'

Met de hele club, het zullen er toch wel een achttal geweest zijn, vormden we een kring om de bank waarop oom Adriaan zijn strijd op de 64 vakjes uitknokte. Om vooral duidelijk te maken dat het ging om mijn oom, hing ik behaagziek tegen oom Adriaan aan en legde mijn hand op zijn knie. Die was daar zo blij mee dat hij een kluit (tweeëneenhalve cent munt) uit zijn zak viste en die aan mij gaf. Daarmee in strijd was het wuivende handgebaar waarmee hij overduidelijk te kennen gaf dat ik afstand tot hem diende te nemen en wel zo snel mogelijk. De makker van oom Adriaan onderstreepte dat door mij toe te voegen: 'Opgerot jong, je opa heb nou geen tijd. Wegweze en pas terugkomme azzie ken schake!'
Niet in het minst gekwetst door deze afwijzing galoppeerden we het park uit en de Sint Jorisweg op. Aan het einde daarvan, op de hoek van het Kromhout, wisten wij het winkeltje van de oude Littig, een bekend en geacht man in de stad, waar we de kluit omzetten in tandbederf.
Het is me daarna nog menigmaal gelukt om flemend bij oom Adriaan tijdens zijn schaakuurtje een kluit los te weken.

Op een kwade dag, want dat zou het worden, besloten de jongens in onze buurt fietsen te gaan huren. Dat kostte een stuiver per uur. De jongens stoven naar huis, vastbesloten om desnoods blauw aanlopend in een huilbui, die stuiver van hun moeder af te troggelen. Dat had voor mij geen zin, want bij ons thuis was de berg zwart zaad steevast hoger dan bij anderen. Wel had ik toevallig de dag tevoren van oom Adriaan een kluit gekregen als beloning voor mijn verdwijnen uit het zicht van de heuvel in het park. Maar dat was slechts de helft van het benodigde kapitaal. Op die dag kwam een duivels plan in mij op, waaraan ik onmiddellijk gevolg gaf.
Met mijn klompen in de hand spurtte ik naar het park en oom Adriaan. Met hartbrekende snikken vertelde ik hem dat ik de kluit die ik de vorige dag van hem had gekregen, verloren was, en dus niet met de andere jongens mee kon om een fiets te huren.

Later heb ik er sterk aan getwijfeld of oom Adriaan mij wel geloofd heeft. Feit is echter dat hij mij opnieuw een kluit gaf. Hij nam mijn hoofd in zijn ene hand en draaide het zo dat hij mij kon aanzien. Daarna draaide hij zijn hand zodanig dat ik, teneinde te voorkomen dat mijn nek zou breken, me omdraaien moest, waarna hij me met zijn andere hand een zachte tik tegen mijn achterste gaf, ten teken dat ik, in de woorden van ooms makker, 'moest oprotten'.
Nimmer heeft iemand het traject Park Merwesteyn-Heer Heymansuysstraat zo snel afgelegd als ik toen. In die straat was namelijk de fietsenmaker gevestigd die de fietsen verhuurde waar wij zo tuk op waren, en waar mijn vriendjes reeds bezig waren zich een passend exemplaar uit te zoeken.
Ik betaalde en mocht ook kiezen uit de vele fietsen die tegen de muur geleund stonden.

We fietsten met het hele stel de straat uit en de jongens zongen uitgelaten: 'Hoeperdepoep zat op de stoep en laten we vrolijk wezen,' enzovoort.
Ik zong niet mee, kon geen toon uit mijn strot krijgen. Ik schaamde me diep, vond mezelf een schoft. Fietsen was voor mij ineens niet leuk meer, dus stapte ik af en zag de andere jongens verdwijnen. Ze misten me niet eens. Aan oom Adriaan denkend kon ik wel janken. Toch was ik er van overtuigd dat als hij zou weten dat ik hem zo belazerd had, hij slechts een gebrom zou laten horen en mijn hoofd met zijn enorme hand zachtjes heen en weer zou schudden. Dat maakte het voor mij echter juist erger. Ik had het gevoel dat ik gestolen had en eigenlijk was dat ook zo. Behalve die kluit had ik ook de vriendschap tussen oom Adriaan en mij gestolen.

Voortijdig bracht ik de fiets terug. Lopend, want de band van het voorwiel was intussen ook nog lek geraakt.

Wim Jilleba