Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Een barst in de ruit - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Een barst in de ruit

Dordrecht, mijn geboorteplaats. Dik veertig jaar geleden keerde ik de stad de rug toe. Ik ging trouwen en verhuisde naar Gouda. Een leuk stadje, waar mijn vrouw vandaan kwam. Het barstte er in die tijd van de keramiekfabriekjes en het stadhuis in het hartje van Gouda was en is een juweeltje. Maar hoe leuk het er ook was, Gouda kon, in mijn ogen althans, niet tippen aan Dordt. Ook Alphen aan den Rijn niet, de groeigemeente waar ik nu woon. En dan vooral niet aan de wijk Krispijn, waar ik als kind opgroeide en volwassen werd. Nog altijd heb ik een zwak voor Dordrecht. Een zwak dat in leven wordt gehouden, omdat ik er van tijd tot tijd twee vrienden bezoek met wie ik vanaf de eerste klas van de lagere school omga: Obik van de Velde - Appie voor intimi - en Wim Maliepaard. Ruim zestig jaar vriendschap. Ja, ja, we worden oud.

Als ik Dordt aandoe, rijd ik steevast even over de Brouwersdijk, parkeer mijn auto en wandel langs de plekjes waar ik ooit woonde. In gedachten zie ik mezelf dan weer met een tennisballetje voetballen op de stoep. De heggen langs de tuintjes en de boompjes langs de stoeprand werden als doel gebruikt. De namen van de jongens die meededen, kan ik nog zó opdreunen.

Wij, mijn ouders en ik, verwisselden op 'de dijk' drie keer van huis. Hoewel de Brouwersdijk van nu niet meer de Brouwersdijk van toen is, herken ik er nog altijd dingen uit mijn jeugd. Daarbij komen dan ook allerlei herinneringen naar boven. Zoals die aan het kruidenierswinkeltje van Troost, onder aan het pleintje bij de Henriëtte Ronnerstraat. Daar werden de laatste 'nieuwtjes' uit de buurt besproken. De buurtwinkel was de plek bij uitstek om op de hoogte te blijven van wat er zoal speelde. Een roddelblad was er niks bij! Een portemonnee nam je eigenlijk nooit mee: de boodschappen werden er 'op de lat' geschreven en aan het einde van de week werd er afgerekend.

Schuin aan de overkant van Troost was Hille. Ja, ik weet nog dat ik als jochie op het pleintje aan het voetballen was. Vaak was ik ervoor gewaarschuwd: ga niet te dicht in de buurt van Hille. Maar ja, je was jong en luisteren was er niet bij. En het onvermijdelijke gebeurde: de bal knalde op een gegeven moment zo hard tegen een etalageruit, dat er over de hele breedte een barst in scheurde. Het overkwam me op een zondagmiddag, zelfs dát weet ik nog. Dus indruk heeft het wel op me gemaakt. Een geluk bij een ongeluk, want er was op dat moment niemand in de winkel die mij op mijn wandaad kon aanspreken. Zo snel als mijn korte beentjes mij konden dragen, ben ik ervandoor gegaan. Nee, ik heb het nooit aan iemand verteld, ook niet aan mijn vader en moeder. Weet je, ik heb er nooit wat over gehoord...

In een van de huizen waar mijn ouders en ik woonden, woonde vóór ons Toon van Hulst met zijn vrouw. Ze hadden, voor zover ik mij herinner, geen kinderen. Toon was hoofdbedienaar bij een begrafenisonderneming. En als je het mij recht op de man af vraagt: hij had er ook het gezicht voor. Zijn uitdrukking stond altijd op 'begraven'. Als er iemand in de buurt was gestorven, kwam Toon langs alle deuren en vroeg de bewoners of ze een raam met een wit laken wilden afdekken, uit piëteit voor de nabestaanden. Iedereen gaf daaraan ook gehoor. Toon en zijn vrouw leefden een beetje hun eigen leven. Ze bemoeiden zich nauwelijks met de buren. Toen ze op een dag verhuisden, stapte mijn vader naar de woningstichting, want mijn ouders vonden het huis van Toon leuker dan de woning waarin ze tot dan toe huisden. Zo gebeurde het dat we, enkele weken nadat Van Hulst en zijn vrouw hun boeltje hadden opgepakt, twee huizen verderop gingen wonen.

Bekend in de wijk was ook Jan Stal. Jan had een sigarenwinkeltje in de P.A. de Genestetstraat. Een paar keer in de week werd ik erop uit gestuurd om voor mijn vader een pakje zware Van Nelle-shag te halen. Met vloeitjes: een oranje pakje Rizla. Je kon de winkel van Jan niet binnenkomen of hij stond achter de toonbank met een sigaret tussen zijn lippen. Ik denk dat hij zelf de beste klant van zijn zaak was. Ik begrijp nu ook hoe het komt dat hij een stem had waarmee je cokes kon kloppen. Al die sigaretten die hij had weggepaft, moeten ertoe hebben bijgedragen dat hij nooit aan een zangcarrière is begonnen.

Nu ik dit verhaaltje zo voor de vuist weg op papier zet, doemen er steeds meer herinneringen op. Ik denk dan aan Nol en zijn friteskraampje op het kruispunt Jacob Marisstraat / Brouwersdijk / Genestetstraat. Die man had glazen in zijn bril... de bodem van een jampot zou er jaloers op zijn. Je moest geen kritiek op hem of op zijn kraampje hebben, want dan stapte hij de tent uit, greep de criticus in zijn kraag en schudde hem eens flink door elkaar. Met een 'bek houwe, oprotte, en nooit meer terugkomme' joeg hij iedereen weg die hem niet zinde. Ze lieten zich ook nooit meer zien, want Nol was een imposante man met een paar handen als kolenschoppen.

Wie uit die tijd herinnert zich niet Jumelet? De man die met een bakfiets vol mosselen door de wijk crosste en voor de meeste mensen onverstaanbaar brulde: 'Mosselen, mosselen, mosselen, heerlijke Zeeuwse mosselen!' Een kleurrijke figuur met een schipperspet scheef op zijn hoofd. Opgeschoten kwajongens liepen vaak op veilige afstand achter de bakfiets en probeerden hem te imiteren. Maar dat viel niet mee.

In het rijtje herinneringen mag Maarten van Ham niet ontbreken. Maarten van Ham, vraagt u zich misschien af? Ja, Maarten van Ham. Als jonge jongen reed hij met paard en wagen met groenten en fruit door Krispijn om de klanten aan huis te bedienen. Jongens uit de buurt die op straat speelden, zagen nogal eens hun kans schoon als de kar voorbijreed: ze doken achter de wagen op en pikten een appel of een ander stukje fruit. Wat je thuis niet kreeg, nam je op straat. Zo ging dat in die tijd.

En dan was er natuurlijk politieman Cor van de Velde, de schrik van de buurt. Zeker onder de jongeren. Want als hij dacht iets van je te weten, bleef hij je achtervolgen. Als het moest tot in de slaapkamer. Ze zeggen wel eens: eens een politieagent, altijd een politieagent. Nou, dat is zeker het geval met Cor van de Velde. Niemand waagde het om op zondag de was buiten te hangen. Zeker, het was verboden in die tijd, maar als Van de Velde je snapte, dan was je de klos. Kon je rekenen op een flinke prent. Medelijden kwam niet in zijn woordenboek voor. Regels waren regels voor hem. Daar had je je als burger aan te houden.

Laat ik eindigen met iets muzikaals. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Praktisch elke zaterdag, maar het kan ook zondag zijn geweest, was er in de muziektent op het Jozef Israelsplein een optreden van de een of andere toeter- en blaasvereniging. Het repertoire werd aangegeven op een plankje dat op een stok was vastgemaakt. Niemand minder dan Teun de olieboer was de gelukkige die het houten plankje op dat stokje omhoog mocht houden en ermee in de rondte mocht lopen zodat de toehoorders konden lezen welk nummer er volgde. Teun glom van top tot teen, zo trots was hij dat hij de nummers mocht aankondigen.

Waar vind je dat tegenwoordig nog? Soms denk ik wel eens: dit mag je toch wel 'die goeie ouwe tijd' noemen.

Jan Westerlaken