Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Tuinman - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Tuinman

Na de oorlog was ik achttien jaar. Ik was kostwinner thuis - want zonder vader - en daardoor werd ik 'buitengewoon dienstplichtig' verklaard. We waren met zijn tienen en er moest natuurlijk wel gegeten worden. Dus fietste ik vanuit Krispijn elke dag naar mijn werk als tuinman op kasteel Crabbehoff. Die fiets had ik zelf opgebouwd van onderdelen van oude fietsen.
De tuinbaas van kasteeltje Crabbehoff, Van Goudoever, woonde in de dienstwoning van dat landhuis. Zijn specialiteit was het kweken van lathyrus. Redelé, de directeur van de Victoria-fabriek, die destijds eigenaar was van kasteeltje Crabbehoff, was helemaal gek op dat plantje. De tuin stond er dus vol mee. Ze hadden ook een 'broeierij' bij het huis, een stuk land dat helemaal beschut lag, zodat ze geen kas nodig hadden. Dat was dan de moestuin. De perziken groeiden daar tegen de muren omhoog.

Mijn werk was heel afwisselend. Natuurlijk moest ik de tuin onkruidvrij houden, bomen en heesters snoeien en perziken opbinden. Je maakte soms wel gekke dingen mee. Ze lieten me bijvoorbeeld een tijdje schaften in een schuurtje waar chemicaliën lagen opgeslagen. Dat wilde ik niet meer en ik zei: 'Ga er zelf maar zitten.' Dat vonden ze maar kinderachtig.

De eigenaren van Crabbehoff waren wel rijk - ze hadden echt heel veel land - maar toch hadden ze het geld niet voor het opscheppen. Je stond bijvoorbeeld de hele winter hout te zagen voor de open haard. En als er visite was kreeg je koffie, maar als er geen visite was kreeg je dat niet.
Qua bezit en onderhoud was het toen eigenlijk al een beetje op zijn retour. Je kon af en toe beter thuis eten dan bij hen. De tuinbaas mocht trouwens mee-eten, ik niet. Dat vond ik niet erg, hoor. De doorgeschoten andijvie stond soms wel twee meter hoog, maar die werd dan toch gebruikt en klaargemaakt door de keukenmeid.
We werkten van zes uur 's morgens tot halfzes 's avonds. Je draaide gemiddeld vijftig uur in de week. Toen de vrije zaterdag en de vrije feestdagen voor bijna iedereen gemeengoed werden, moesten wij nog steeds doorwerken. De vlag stond bijvoorbeeld met Koninginnedag wel op het kasteel, maar wij liepen dan nog gewoon te werken in die tuin.
's Maandags moest ik altijd kolen scheppen, afwegen en in het kolenhok storten. Dan zag ik er aan het begin van de week al uit als een neger, terwijl ik maar één keer per week schone kleren aan kreeg. Daar heb ik toen een keer wat van gezegd en daarna mocht ik dat klusje gelukkig op vrijdag doen.
We hadden natuurlijk wel schafttijd en dan kreeg ik koffie van de keukenmeid, met wie ik trouwens heel goed kon opschieten. Dan zei mijn baas tegen haar: 'Doe er maar koude melk in, want anders duurt het koffiedrinken te lang.'

Later mocht ik met mijn eigen kinderen op zondagmiddag in de tuin komen. Dat was echt niet voor iedereen weggelegd. Een juffrouw met een klasje kleuters werd er in die tijd bijvoorbeeld uit gestuurd.
Ik vind het zonde dat de tuin ook nu nog maar af en toe, en alleen voor kleine groepen, wordt opengesteld. Het is eigenlijk veel kapitaal waar de burgerij niks aan heeft.

Henk Kuiters