Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Het Wantij rond - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Het Wantij rond

Het is vreemd hoe dingen in het leven soms gaan. Je maakt iets mee op een bepaalde plaats, op een bepaald moment, en later in je leven maak je iets daarvan opnieuw mee. Je bent op dezelfde plaats en er onstaat voor je ogen zomaar een directe lijn naar het verleden, zonder tussenstations.

Zoiets had ik met het Wantij, het water ten zuiden van de Staart. De lijn van nu naar toen, gaat naar de tijd waarin mijn opa een scheepswerf had in Hardinxveld-Giessendam. Bij die werf hoorde een boot. Een Hollandse boot, van staal - ik zou graag nog eens het geluid horen dat de roeispanen maakten als mijn vader ze niet al te zachtzinnig in die boot deponeerde. Een geluid dat soliditeit verkondigde.
De boot had ook een mast en zeilen, roer en zwaarden, die meestal in de kelder lagen van mijn opa's huis aan de Merwede. Alleen als we met mijn ouders de vakantie doorbrachten in Hardinxveld kwamen ze tevoorschijn, als mijn vader ging zeilen op de rivier. 'Het Wantij rond' was in dat opzicht voor mij, als vijfjarige, een klank zonder inhoud, maar met de betekenis van: mijn vader gaat op wereldreis en dat kan wel een hele dag duren.

Eens mocht ik mee. Mijn vader vond de wind gunstig en had het tij bekeken - heen met ebstroom, richting Dordt, het Wantij op. Bij het keren van het tij zouden we met stroom mee teruggaan. We zouden langs De Biesbosch zeilen - net zo'n werf als mijn opa had, maar dan veel groter -, kwamen langs Sliedrecht, dan voorbij de Peulensluis, waarachter mijn oom Arie en tante Lena woonden, en bij scheepswerf De Hoop waren we weer 'thuis'.
Mijn moeder smeerde boterhammen voor mijn vader, mijn broer en mij, en we kregen een fles klaargemaakte ranja mee, wat de tocht al bijvoorbaat tot een feest maakte, want ranja kregen we alleen op verjaardagen van opa en oma. Mam waarschuwde mijn vader voorzichtig te zijn als de wind zou toenemen, bang als ze was voor water dat dieper was dan de afstand tussen haar tenen en haar kin. Mijn Hardinxveldse oom Wim waarschuwde voor het oversteken van de rivier, want 'die snellopers uit Duitsland varen met gemak vijftien kilometer per uur en die zijn er sneller dan je denkt, Sion.'

We vertrokken vroeg. Rond het middaguur gooide mijn vader tussen twee kribben een dregje uit, spreidde de nieuwe kaki-kleurige regenjas van mijn moeder - meegekregen als bescherming tegen regen en als tafellaken - op de bodem van de boot uit en gaf mijn broer en mij een boterham en een glas ranja. Ik weet niet hoe het kwam - een golf, de onhandigheid van een vijfjarige in een nieuwe omgeving -, maar mijn glas ranja ging om, een oranje vlek verspreidend over de nieuwe regenjas. Mijn vader, die snel driftig kon worden, gaf me een draai om mijn oren waarvan ik suizebolde. Ik weet niet meer wat hij zei, maar het was iets waarin ik niet alleen een eendimensionale drift hoorde, maar ook een werkelijke spijt, omdat hij straks mijn moeder moest teleurstellen. Ik had het gevoel dat ik die tik verdiend had en hield mijn tranen in.
Van de rest van de tocht herinner ik me weinig. We zeilden terug, mijn broer soms aan de helmstok, soms voor de mast op de uitkijk; ik soms ook aan het roer, dat wil zeggen: mijn kleine hand op de helmstok, die van mijn vader erachter.

De vakantie ging voorbij, de jaren ook. We verhuisden naar Amstelveen, het leven voltrok zich als een logische opeenvolging van gebeurtenissen: lagere school, middelbare school, studie. Ik bleef wonen en werken in Amstelveen en omgeving, tot zes jaar geleden. Toen ben ik verhuisd. Naar Dordrecht.
En afgelopen zomer woonde ik een rondwandeling bij op de Staart, georganiseerd in het kader van deze website. Op die avond, in die voor mij volstrekt onbekende wijk, kwamen we op een gegeven moment bij een breed water. Vrachtschepen, zalmschouwen (drijverschuiten, noemde mijn vader ze), en witte plezierjachten. Opeens drong het tot me door: het Wantij. Als een bliksemschicht ontstond er een lijn naar 55 jaar geleden. Ik zag een Hollandse boot, met een mast, een fok en een zeiltje, met een jongen van een jaar of vijftien op de uitkijk. Mijn broer. Aan het roer zat ik, dat wil zeggen, ik keek op mijn kleine hand die op de helmstok lag, die van mijn vader erachter. Ik zag ze daar zeilen met zijn drieŽn en voelde de tranen prikken die ik die dag niet heb gehuild.

P. Maalbeek