Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Ic make cont ende kenlyc allen luden... (I) - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Ic make cont ende kenlyc allen luden... (I)

Ik ben in mijn element. Kaarslicht, glas wijn en de nieuwe cd van A New Dawn. En ondertussen leer ik steeds meer over het Huis te Merwe en de Heren te Merwe. Ic make cont ende kenlyc allen luden... - Hierbij maak ik aan iedereen bekend... - Ik krijg al werkend steeds meer respect voor de vroegere bewoners van het Huis. En tegelijk voor het Huis zelf. Ik weet van beide al het nodige. Ik heb me niet voor niets al een paar keer hard gemaakt voor het opknappen van de ruÔne. Want zoals het Huis er tegenwoordig bij staat, dat is een regelrechte schande. Tegelijk besef ik ook dat dit waarschijnlijk de wraak van Dordrecht is.

In 1418, ten tijde van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, werd Dordrecht belegerd door de troepen van Jacoba van Beieren. De belegeraars gebruikten destijds dit trotse en ferme kasteel als uitvalsbasis: het Huis te Merwe. De belegering mislukte, de Dordtenaren deden een geslaagde uitval en sloopten het Huis grotendeels. Niet alleen om het bouwmateriaal, maar waarschijnlijk ook om ervoor te zorgen dat het niet meer gebruikt zou kunnen worden door belegeraars.
Na de Sint Elisabethsvloed, in1421, kwam het Huis in het water te staan en ook toen nog bewees het Dordrecht diverse diensten. Zo wisten schippers aan de oostkant van de stad dat ze Dordrecht naderden als ze de toren van het Huis te Merwe boven de watervlakte uit zagen torenen. Net als de Grote Kerkstoren dat deed aan de westkant.

Deze en andere gedachten blijven maar door mijn hoofd gaan, terwijl ik op mijn manier eerherstel probeer te bereiken voor het geslacht Van der Merwede en hun ooit zo prachtige woning. Zeven heren Van der Merwede waren er geweest, en allen heetten ze DaniŽl van der Merwede.
Nogal wat latere geschiedschrijvers hadden er hun hoofd over gebroken, net als ik. Al heel wat avonden en nachten was ik er mee bezig geweest, te lang en te laat eigenlijk. Af en toe doezelde ik dan weg, hoe interessant het allemaal ook was. Dan schrok ik weer wakker en besloot voor de dertiende keer nog ťťn alinea, nog ťťn bladzijde, nog ťťn hoofdstuk te doen. Tot ik, zoals wel vaker gebeurde, ineens flarden van zinnen opving die gesproken werden door mensen die er niet waren. Niet iets waar ik me zorgen om maak (de zinnen zijn nooit aan mij gericht), gewoon een teken om echt te gaan slapen.

Zo zal hoogstwaarschijnlijk ook deze avond verlopen. Het is inmiddels tien uur in de avond en vandaag moet mijn verhaal over de ruÔne van het Huis te Merwe af zijn. Tien uur. Nog een uur of vier, een halve werkdag, om mijn verhaal af te krijgen. Daarom zet ik me nu aan het schrijven van het verhaal dat een eerbetoon moet worden aan de heren DaniŽl van der Merwede en het Huis te Merwede. Ik sla nog een bladzijde om van Hollandse StudiŽn III om het gedicht te zoeken dat heraut Gelre over de trotse ridder DaniŽl van der Merwede schreef. Nog voor ik wat vind, hoor ik stemmen. Ik let er niet op. Ik hoor weer een stem, en nu hoor ik duidelijk dat het geen Nederlands is. Tenminste, niet het huidige Nederlands. Ik hoor duidelijk, op een zangerige toon: 'Die doot maect cont allene das / Wies de mensce werdich was. Scone vorme ende zuver leven / Selden sijn si gevriende bleven. Niet nes so diere, vondemens vele / Men sout copen omme niet te spele. Men weent langere omme goet / Dan men omme vriende doet. Omme vrient weent men lose trane / Maer om ghelt rechte vraye, ic wane. Alse vele alse wast dijn ghelt / Also vele wast met ghewelt. Die wille van vort te winne meer: / Ghelt wachtmen nauwe in allen keer. Hier endt nu altemale / Die proverbien van Juvenale.'
Maar dat ken ik! Ik heb dat stuk gisteren nog gelezen en me verbaasd dat Van Maerlant zich zo kwaad maakte in zijn dertiende-eeuwse versie van It's all about the money, in zijn Spiegel historiael: 'De dood maakt alleen dat bekend / Wat je als mens geweest bent / Schoonheid en een zuiver leven / Zijn zelden vrienden gebleven / Niet net als dieren, maar van mensen velen / Men zou het kopen om het niet te spelen / Men huilt langer om goed(eren) / Dan dat men om een vriend doet / Om een vriend weent men tranen, zo nep / Maar om zijn geld oprechte, als ik het wel heb / Zovelen zeggen 'het is mijn geld' / En zovelen zeggen dat met geweld / Die willen alleen maar meer en meer / Al het geld nu in ťťn keer / 'Hier, nu en voor altijd' roepen zij verheugd / Hoort daar het motto van de jeugd.'

Ik ga even naar mijn keuken, even weg van kaarslicht en beeldscherm. Als ik opsta, voel ik pas hoe moe ik ben, en ineens merk ik dat er iemand bij me is. Ik heb het gevoel dat de deur ieder moment kan openzwaaien en dat er dan iemand tevoorschijn springt zoals alleen Zwarte Pieten dat kunnen. Maar ach, even een glas melk, dan kan ik er weer tegenaan. In de keuken is het gevoel nog sterker. Er is echt iemand hier. Een schim, een geest, noem het hoe je wilt. Ik heb toch niet iets opgeroepen door me de afgelopen tijd zo bezig te houden met de heren Van der Merwede? Ach wat een onzin. Ik ben gewoon moe. Vandaar die waanvoorstellingen. Ik drink mijn melk, zet het pak in de koelkast en ga terug naar de kaarsen, want wie weet wat ze van plan zijn met mijn gordijnen.
Terwijl ik de woonkamer binnenstap en langs de zware houten tafel naar mijn slaapkamer met pc loop, voel ik weer een aanwezigheid. Zal ik dan toch maar stoppen met schrijven en gewoon gaan slapen? In dromenland kan ik de gekste waanvoorstellingen hebben zonder dat ik er iets achter hoef te zoeken. Nee, ik ga door. Het is nog maar elf uur. En als ik weer iets oppik, laat ik me meevoeren in de waan zelf. Beloofd! Maar gelukkig gebeurt er even niets meer. Ik typ plichtmatig: 'Op 25 augustus 1352 is graaf Willem V van Holland te gast bij heer DaniŽl VI van der Merwede. Hij ondertekent een oorkonde "ghegheven ter Merwede" en is dus op bezoek in dat wat nu nog slechts een ruÔne is.'
Zijn de heren nog kwaad? Jullie geslacht was toch allang uitgestorven toen de Dordtenaren Huis te Merwe verwoestten? Wringt het dat Dordrecht vrijwel nooit de moeite nam om het Huis ook maar met het minste respect te behandelen? Is het uit eeuwigdurende wederwraak dat jullie je roemrijke verleden nooit prijs zullen geven? Dordrecht zal dan nooit weten hoe belangrijk jullie als ridders waren, hoe ver jullie macht reikte in de hoogtijdagen van de middeleeuwen. Wat was jullie invloed op Dordrecht en haar omgeving?
Oef! Plotseling hoor ik een harde slag pal achter me, in de woonkamer. Is er een plant omgevallen? 'Ghi!' klinkt het vanuit mijn woonkamer. - HŤ, is mijn opa hier? Waarom komt hij me zo laat nog opzoeken? En waarom zegt hij 'ghi'? Ik loop de woonkamer in en zie een man aan mijn ronde tafel zitten. Het is niet mijn opa. 'Ehhh... goedenavond, kan ik u ergens mee helpen?' vraag ik kalm. Dat uiterst kalme heb ik vaker, in bizarre situaties. 'Ghi,' roept de man opnieuw en slaat nu ook met zijn vuist op tafel. Mijn tafel is nogal groot, maar ook wankel. 'Ghi, dukanst me nie gerust laten, hŤ?' Dat klinkt minder kwaad dan zijn ferme vuistslag van zo-even, maar ik weet het niet met deze vreemde gast.
Wat moet ik zeggen? Wat kaarslicht en computerbeeldschermlicht schijnt de woonkamer in; maar ik kan de man niet goed zien. 'Uhm, het spijt me dat ik u last bezorg, dat was niet de bedoeling. Kan ik u ergens mee helpen?' vraag ik. 'Ha, nee, al goed, al goed,' glimlacht de man. 'Ik ben hier nu toch.'
De man lijkt me niet gevaarlijk en wie weet wat hij te vertellen heeft. Je weet maar nooit wat voor wijsheid een vreemdeling met je wil delen. 'Wilt u misschien een glaasje wijn?' vraag ik. 'Ik heb witte wijn uit Duitsland, die zal u goed smaken.' - 'Voorwaar,' antwoordt de man, 'ik mag graag een glas wijn, maar dat is niet de reden van deze reis die mij naar u voerde.'
Heerlijk deze taal te horen. Ik ben gek op taal en gelukkig versta ik hem goed. Ik probeer het ook eens: 'Mag ik u vragen wat het doel van uw reis dan wel is?' De man verzet zich een beetje. Mijn ogen zijn nu aan de duisternis van de woonkamer gewend en doordat hij wat meer in het licht gaat zitten, zie ik hem nu beter. Een jong gezicht, ik schat hem op een jaar of twintig. Maar met baarden is dat altijd lastig, misschien jonger of ouder.
Ik schenk in en zet het glas voor hem neer. 'Merci,' zegt hij. De fonkelende ring aan zijn vinger tikt tegen het glas dat hij met zijn rechterhand beetpakt. De hand blijft om het glas heen liggen. Vanuit mijn ooghoeken probeer ik te herkennen wat er op de ring staat. Ik zie drie banen met in de bovenste en onderste baan bolletjes, byzantijnen genoemd. Ik schat dat de bovenste negen bolletjes heeft, in twee rijen van vijf en vier. De onderste baan heeft er dan zes, een bovenste rij drie, daarna twee en vervolgens ťťn. 'DaniŽl, de vijfde heer Van der Merwede,' zeg ik plechtig. De man kijkt hoopvol op. 'Ja, en?' zegt hij. Ik probeer het me te herinneren. 'Dat was uw vader. Hij sneuvelde bij Warns, in 1345, samen met uw oom Floris en duizenden anderen. Ook de graaf kwam om het leven. U bent DaniŽl, de zesde heer Van der Merwede.' De man kijkt op. 'Heel goed, heel goed. Ik ben DaniŽl, de zesde heer Van der Merwede. Mijn vader zaliger was DaniŽl baron en vijfde heer Van der Merwede. En ik ben hier om u te spreken.'
Ah, dat klinkt wel erg gewichtig. 'Mijn heer, waarmee wilt u met mij van gedachten wisselen?' vraag ik hem. 'Welnu, ik begreep dat u klerk van de stad Dordrecht bent.' Verbaasd kijk ik hem aan. Met een jeugdig enthousiasme in zijn ogen zegt hij: 'Ik heb begrepen dat u bezig bent, mij en mijn vaderen uit de vergetelheid te doen geraken. Welnu, kom met mij mee. U bent mijn heraut.' De manier waarop de laatste woorden worden uitgesproken, maakt duidelijk dat er geen plaats is voor discussie.
DaniŽl staat op. Zijn haar reikt tot over zijn schouders, als teken dat hij een vrij man is. Alsof daar nog iemand aan zou twijfelen! Nu hij staat, zie ik dat hij mijn lengte heeft. Hij heeft een zwaard omgord, maar dat is niet dreigend. Verder is zijn kledij purper met donkergroen, voor zover ik dat in de schemer kan zien. 'Laat ons gaan,' zegt hij, terwijl hij naar de deur loopt, 'we hebben genoeg te bespreken.'

Ik begrijp niet waar we naar toe gaan, maar ik volg hem. Als we naar de Oranjelaan lopen, begint DaniŽl te praten: 'Ik heb me een hele tijd afgevraagd waarom je het doet. Onze tijd is voorbij, leef in het nu. Geloof me, we hebben alle lof en eer van de wereld toegezwaaid gekregen. We zijn echt trotse, fiere ridders geweest en zo hebben we ons ook gedragen. Vaak heb ik me afgevraagd: waarom laat je ons niet met rust? Waarom moet je de aandacht op ons vestigen? Natuurlijk, het is waar: "Die doot maect cont allene das / Wies de mensce werdich was." Maar we zijn al zovele eeuwen bijna niet meer herinnerd, dat het wel goed was zo.' Ik luister aandachtig, want ik wil hier geen woord van missen. 'Maar toen zag ik hoe serieus je bezig was,' vervolgt DaniŽl, 'en hoe je je best deed om ons en ons mooie Huis in ere te herstellen.'
We lopen over de Prins Hendrikbrug. Het schoeisel van DaniŽl maakt amper geluid, maar het lange uiteinde van zijn riem tikt ritmisch tegen zijn zwaard. Zo lopen we over straat. Hoewel er, ondanks het late tijdstip, toch nog het nodige verkeer passeert, kijkt niemand raar op. We lopen door de nacht, maar ziet u ons wel? Merkt u ons op als we richting Huis te Merwe lopen?

(wordt mogelijk vervolgd)

Nieky Klaus