Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
De jongen - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
De jongen

Enerzijds verfoeide hij de dagelijkse taak, het gras snijden voor de zes toekomstloze konijnen die in hokken woonden, in het schuurtje achter het huis. Anderzijds hield hij er juist van, tenminste als het behoorlijk weer was. In de stille wijde polder maakte hij, negen jaar oud, soms verre reizen.

Van hun huis in de Hart Nibbrigstraat naar de polder was het niet zo ver lopen. Even de hoek om naar de Jacob Marisstraat en dan aan het einde daarvan de Zuidendijk over, of aan de andere kant van de Patersweg. In beide gevallen lag de polder in zijn weidsheid voor hem uitgespreid. In feite woonde het gezin waartoe hij behoorde, vader, moeder en twee zusjes van hem, ook in een polder, maar dat was vrijwel niet meer te zien, want de wijk Krispijn was in zijn jongensogen heel groot en lag op enige afstand veilig achter de Zuidendijk verborgen voor het water.

Het was een warme dag en hij lag languit op de houten vlonder bij de duiker in de poldersloot. De vlonder was maar klein, dus lag hij er met zijn bovenlijf op, zijn benen op de walkant. Zo liggend kon hij, omlaag kijkend, zien wat zich onder de waterspiegel van het glasheldere slootwater afspeelde. Zijn klompen lagen wat verwijderd van de slootkant in het gras van het weiland, naast de zak met gras dat hij had gesneden. Hij had geen sokken aan, die had hij niet nodig bij dit weer. Veel te warm vond hij, en zijn voeten waren best opgewassen tegen het hout van zijn klompen. Er hing een geheimzinnige sfeer daar onder water, er gebeurde van alles.
Verschillende soorten waterplanten, waarvan hij de namen niet kende, boden schuilplaats aan kleine visjes, maar ook torretjes zag hij achter de bladeren wegduiken. In de donkere weke bodem borrelde het veelbelovend. Veelbelovend omdat hij hoopte dat er ineens een enorme gasbel omhoog zou komen, die hij zou kunnen nakijken terwijl die naar de blauwe lucht op zou stijgen. Heel hoog zou de gasbel dan uit elkaar spatten zoals de zeepbellen die hij soms blies. Tot nu toe echter had hij slechts kleine gasbelletjes de bodem zien verlaten, die af en toe besprongen werden door onervaren visjes die waarschijnlijk iets eetbaars in de belletjes zagen. Als hij zo'n miskleun opmerkte, lachte hij hardop en schold de vis uit voor stommeling, echter niet te luid want hij vreesde de visjes te verjagen.
Een grappig spelletje vond hij het ook, afwisselend diep in het water te kijken tot op de bodem en dan weer naar het wateroppervlak waarin hij zichzelf weerspiegeld zag. Hij vroeg zich af of de visjes en de andere diertjes onder water hem ook konden zien en zo ja, wat ze van hem zouden vinden. Daarom vroeg hij het ze.
'H, stom vissie, kejje mijn zien? Dan vinje zeker daddik een rare kop heb, h? Of bejje soms bang voor me? Nou dat hoef nie hoor, want ik doe je geen kwaad. Maar die andere daar, die broer vajje, dat is een rotzak, want die heb net een klein beesie opgevrete. De meester op school heb verteld, dat jullie gewoon mejje ge ope slape en dajje dat doe azzie mejje bik op een blaadjie of zo leg. Tenminste, ik glf dattie dat gezegd heb, maar ik ken ut ok mis hebbe hoor, want ik denk dikkels an andere dinge aste meester zit te vertelle. Dat is natuurlijk wel een bietjie stom vamme h. Nou ja, dan zijn we allebei stom h, jij omdajje gasbelletjies probeer op te ete en ik omdaddik nie altijd eve goed oplet op school.'
Zacht geruis deed de jongen opkijken en hij zag een reiger over zich heen vliegen en niet ver van hem landen. Misschien had de vogel op het vlondertje willen staan, wie zal het zeggen? De jongen keek naar de reiger en als zo vaak verlangde hij te kunnen vliegen als deze vogel. Wat zou je dan ver kunnen gaan en veel kunnen zien bedacht hij, en zuchtte. De reiger stond een meter of twintig bij hem vandaan en negeerde hem volstrekt, maar de jongen wist dat dit slechts schijn was, want als hij zich zou bewegen zou de reiger vluchten.
'H, gekke magere reiger mejje rare nekkie. Je lijk een bietjie op onze meester, maar die heb nog een stropdas om en zo'n lange neus as jij heb tie ok nie. Maar jou vin ik aardiger hoor, want die stomme meester heb van de week weer een opstel van mijn in de klas voorgeleze en daar hebbe de andere jonges me weer mee gepest natuurlijk. En het meisjie dat voor me zit, wou weer niet memme mee naar huis lpe, nou ja... la maar ok.'
De reiger klapwiekte weg en de jongen vloog met hem mee, laag over de sloten scherend, eenden plagend en dan over de toppen van de populieren in de verte, alsmaar hoger en verder. Zonder de vleugels te bewegen zweefde hij, zweefde eindeloos en zag fantastische dingen en genoot de stilte, de stilte van het vleugelloos vliegen...

Wim Jilleba