Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Wassalon Joke - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Wassalon Joke

Het is dinsdag 4 mei 2005. Gisteravond lag er een folder in de bus: 'Marokkaanse delicatessen en gerechten, nieuw geopend!!!' Op Elfhuizen.
Tien over zeven 's morgens. Ik ben vijf minuten vroeger dan normaal en besluit even een korte omweg langs Elfhuizen te fietsen op mijn dagelijkse route naar het station. Zou de Marokkaan in de vroegere kapperszaak zitten? Of was daar een café? Nee, het is een ander pand, zie ik in het voorbijgaan.

Als ik op het Spuiplein ben, dringt het opeens tot me door. Er is een gat aan mijn linkerhand, de plaats waar vroeger - wat heet 'vroeger', een paar maanden geleden nog - Wassalon Joke te vinden was. Ik heb iets met Wassalon Joke. Vlak voor we naar Dordrecht verhuisden, klusten we elk weekend in ons lege huis, nog zonder wasmachine en andere huishoudelijke noodzakelijkheden. We waren de salon een keer binnengelopen met ons wasgoed. Jazeker, dat konden we achterlaten, dan was het over twee dagen klaar, gestreken, gevouwen en ingepakt. Het was mijn eerste kennismaking met een middenstander in Dordrecht.

Dat beeld rijst in me op als Wassalon Joke plus aanhorigheden niet mijn netvlies willen vullen op de plekken die daar op dat moment voor vrijgehouden zijn. Direct besef ik dat ik het al veel langer heb geweten. Dat dit zou gaan gebeuren. De aankondiging van 's Lands Werf, met stadswoningen, appartementen, penthouse en 'commerciële ruimte' - wat het allemaal ook mogen zijn - staat al langer dan vandaag de toekomst te verkondigen aan het Spuiplein.
Ik fiets verder. De trein wacht tenslotte niet op me. Mijn oog valt nog op een bordje aan het hek dat rond de gapende wond is aangebracht: archeologisch onderzoeksterrein. Ja natuurlijk, denk ik, daar zou heel wat te vinden kunnen zijn. Restanten van stadsmuren misschien wel. Het licht springt op groen, ik trek een sprintje en vergeet Joke.
Totdat ik 's avonds thuiskom en mijn vrouw vertel dat 'onze' wassalon voorgoed verleden tijd is. We zingen onze klaagzang over wat wij in huiselijke kring de aannemersmaffia noemen; die lui die overal in Nederland knabbelen aan alles wat oud is (of aan het water ligt, want: toplocatie). Stukje bij beetje vreet die het profiel van steden en dorpen aan. Steeds iets verder worden de grenzen verlegd van wat aanvaardbaar is. De norm schuift op, en hup weer een monument in puin. Niet bouwen binnen de grenzen van de oude binnenstad? Dan zoeken we toch iets dat precies óp de grens staat. Weg ermee. Nieuw is mooi! - We kennen het refrein, mijn vrouw en ik.
's Avonds, als ik voor het slapengaan mijn dagelijkse ommetje maak, maalt het 'archeologisch onderzoeksterrein' door mijn hoofd. Het bordje hangt er nog, en de hekken houden er de wacht. Mijn nieuwsgierigheid wint het van verstandige overwegingen als morgen-weer-vroeg-dag. Ik til een deel van het hek op en ben op het onderzoeksterrein. Spannend. In het vage licht van een straatlantaarn zie ik een gat in de grond. Het blijkt een betegelde kelderruimte te zijn, die nu als een open wond een blik toestaat in het lichaam van moeder aarde. De trap is er nog en ik ga naar beneden. Gelukkig heb ik ooit in een buitensportwinkel de verleiding niet kunnen weerstaan een piepklein hightech zaklampje te kopen, dat ik altijd in mijn broekzak heb. In de kelder zelf lijkt niets veranderd. Ik zie bij wijze van spreken de weckpotten staan, op planken die door iemand in een vorige eeuw zijn aangebracht en die voor het eerst in hun bestaan aan de buitenlucht zijn blootgesteld. Ook de betegelde vloer is nog intact. In een hoek kan ik vaag een luik in de vloer onderscheiden met een oog eraan. Een luik in een kelder? Zou er nog een kelder onder zitten dan? Daar heb ik nog nooit van gehoord. Als ik aan de ring trek, gaat het luik met opvallend gemak open, alsof ik welkom ben als een aangekondigde bezoeker.

Ik kijk in een donker gat, met een houten trap. Als ik afdaal, gaat hij over in een aantal stenen wenteltrappen, waar geen eind aan lijkt te komen. Na eindeloos veel treden sta ik op een soort platform. Opeens klinkt er een enorme dreun vlak bij me. Ik schrik me wezenloos, maar voordat ik bijgekomen ben, volgt een tweede. En een derde, vierde, vijfde tot en met de elfde. Terwijl de stilte neerdaalt, merk ik dat er iemand naast me staat.
'En, hoe vind je het hier?' vraagt hij. Ik kijk opzij en zie een gebogen oude man. Alles aan hem is wit. Zijn haren, zijn baard, zijn huid, zijn kleding.
'Nou? Zeg eens wat je ervan vindt?'
Ik weet niet wat ik moet zeggen. 'Uuhh, ik begrijp niet goed wat u bedoelt,' zeg ik.
'Dan heb je niet de goede blik,' antwoordt de man. Je moet naar binnen kijken, dan zul je het zien. En doe dat lampje uit, dat hindert maar.' Hij vervolgt: 'Ik zal je op weg helpen. Je staat nu op de toren van de Grote Kerk. Niet de echte, maar het beeld van de kerk dat is opgebouwd door iedereen die hem ooit heeft gezien. Al die mensen hebben een beeld van die kerk, en het resultaat staat hier. Kijk naar binnen, dan zul je zien dat hier, in deze wereld, Dordt ligt zoals het geweest is. Kijk naar links, de rivier. Zie je die zeilende klipper? Dat is de Hoop en Vertrouwen in 1923, twintig jaar oud, en in de volksmond toen het 'jacht van Deventer' geheten. En daar: de Clazina-Maria, een kraak uit 1897, met een gloednieuwe 16 pk liggende Deutz, de trots van de schipper. Bij het Groothoofd vaart de Fop Smit, waarmee je ouders uit Giessendam naar Dordt kwamen als ze een dagje uit gingen. En zie je daar het oude postkantoor? Een prominent gebouw in deze wereld, die door ontelbare mensen is opgebouwd. Iets links daarvan ligt wat je broer de zeurstad noemde.'
Ik richt mijn blik naar binnen en inderdaad, ik zie wat de oude man me aanwijst. Ik zie de Spuihaven voordat hij werd gereduceerd tot siervijver. En het Blauwpoortsplein op een Pinksterdag, met op de Lange Geldersekade, voor het veer naar Zwijndrecht, een file die toen nog 'opstopping', heette. Ik zie de Buiten Walevest voordat residence Walevest er verrees, en het Scheffersplein voordat V&D er ging bouwen. Ik kijk mijn ogen uit.
De oude man onderbreekt mijn rondwarende blik. 'Nou, wat vind je ervan?'
Ik ben perplex. 'Dit is toch niet echt?' zeg ik.
'Je ziet het toch?' is zijn antwoord.
'Ja maar, hoe kan het dat ik het hier zie? Ik kom toevallig langs, ik ben nieuwsgierig en ik ga een trap af, en dan kom ik híer terecht.'
'Ik geloof niet dat het zo toevallig is,' zegt de oude man, 'het is meer een kwestie van lot, en of je dat met een hoofletter of een kleine letter schrijft maakt me niet zo veel uit.'
'Lot?' herhaal ik verbaasd.
'Lot, uit de bijbel. Zijn vrouw keek om en ze veranderde in een zoutpilaar. Zielig voor Lot en voor zijn vrouw, maar zo bleef haar beeld wel eeuwig bewaard. Dat is de onderbelichte kant van het verhaal. En zo gaat het nog steeds: als je omkijkt, blijft het beeld behouden. Onthou dat. Daarmee kun je je wapenen tegen de projectontwikkelaars, de aannemers en de wethouders, die hun stempel op het heden willen drukken om het verleden zo snel mogelijk naar de vergetelheid te verwijzen.
'Maar wat doet ú hier?' vraag ik.
'Ik ben de Hoeder van de Verleden Beelden. Ik leef hier, in het verleden. Mijn verleden, ons collectieve verleden. Het daglicht ziet mij niet meer, dus jullie kunnen mij ook niet zien. Ik zou er trouwens ook niet tegen kunnen. Te zien hoe de stad steen voor steen wordt afgebroken, of zó wordt verwaarloosd dat afbraak de enige oplossing heet te zijn. Zoals de wassalon. Zoals De Holland dat dezelfde kant opgaat, en straks ook Kunstmin. Ik leef hier en hier ligt mijn leven. Vandaar mijn witte haar, mijn witte baard, mijn witte huid...'
'...en uw witte kleren,' vul ik aan. 'Tussen haakjes, hoe krijgt u dat voor elkaar, als u ondergronds leeft?'
Hij kijkt me aan, knipoogt en zegt: 'Ik kom 's nachts nog wel eens in de wassalon.'

Gerrit van Brakel