Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Kleuterjaren in de Ceramstraat - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Kleuterjaren in de Ceramstraat

Denkend aan het Dordrecht van mijn vroegste jeugd stuit ik op een fenomeen dat ik van latere woonplaatsen niet ken: de huisnummering. Ik werd geboren op Reeweg 74 zwart. Voor oudere Dordtenaren is het duidelijk dat dit een benedenwoning was. Het identieke bovenhuis had als toevoeging 'rood'. Zwart beneden, rood boven.
Lang heeft het jonge gezinnetje waarvan ik sinds december 1936 deel uitmaakte niet op de Reeweg gewoond. Zoals in die tijd wel vaker voorkwam, zijn mijn ouders van de Reeweg weggelokt naar de Ceramstraat. Een bevriende relatie uit hun geboortedorp Hardinxveld-Giessendam was de eigenaar van een huizenblok in deze straat, en voor een nieuw behangetje en een maand gratis huur besloten ze nummer 14 (nu een andere nummering dan destijds) te huren.

Voor kinderen was de Ceramstraat een verrukkelijke woonstraat. Doodlopend, en aan het einde een sloot met zanderige bodem; niet te diep, zodat we er dammen konden opwerpen en bootjes of tot bootjes verbouwde klompen konden laten varen.
De straat was aan een kant bebouwd. Vanuit de erker van ons huis keken we op het zogeheten IJsclubterrein. Vooral 's winters - en de winters in die tijd waren winters met veel ijs en sneeuw - was dat een fantastisch uitzicht. Het terrein, vol gezet met water, veranderde in een ijsvlakte waarop druk werd geschaatst. En samen zwieren natuurlijk. In een tijd waarin nog niet iedereen mocht dansen moet dat een aardige vervanging zijn geweest. Voor mij als kind was het allemaal heel feestelijk, met muziek en verlichting. Althans in de eerste oorlogsjaren. Later was die verlichting wat minder feestelijk, toen de Duitsers bij de Oranjelaan zoeklichten hadden geplaatst. In dezelfde winters bouwden oudere kinderen midden op straat grote iglo's met een 'poortje', waar ik als kleuter van vier gemakkelijk door naar binnen kon. Voor verkeer op straat hoefden we niet bang te zijn. Dat was er niet of nauwelijks, behalve zo nu en dan een mateloos intrigerende vuilnisauto.
's Zomers was de Ceramstraat een speelstraat. Knikkeren op de trottoirtegels, steltlopen, rijden met een geleende Vliegende Hollander, autopetten en fietsen. Zo rond mijn viereneenhalfde kreeg ik een zoveelste-hands kinderfietsje. Groen en met luchtbanden. Dat laatste was niet van al te lange duur. Al snel kreeg ik 'anti-plof'-banden: oude stukken rubber tuinslang, waardoor het fietsen in ieder geval minder comfortabel werd. Ook dit was niet echt problematisch. Mijn houten step met richtingaanwijzer - een blauw stukje metaal in de vorm van een stropdas - gemonteerd op de stuurstang had dezelfde bandjes, maar die waren origineel.
Ons huizenblok had aan beide einden een brandgang. Aan de Noordendijkse kant een breed met kolengruis bestrooid pad, aan de andere kant een echt gangetje. Voor kinderen in de buurt was het reuze spannend om door dat laatste gangetje naar de achterkant van de huizen te rennen of te autopetten. In het hoekhuis woonde een politieagent die, net als zijn vrouw, niet wilde dat er kinderen doorheen gingen. Als je gepakt werd was je nog niet jarig!
De tuinen achter lagen veel lager. In de oorlog moest iedereen in de achtertuin een grote put graven - iets van 2 x 2 meter. In mijn herinnering dienden die putten om overtollig kwelwater op te vangen. In de kortst mogelijke tijd stonden ze vol water, wat ook de bedoeling was. Voor ons betekende dat veel speelplezier, omdat de putten altijd vol zaten met padden, kikkers en kikkervisjes. Ook in huis hadden we preventieve voorzieningen. Op zolder stonden emmers met zand, een verplichting om in geval van bombardementen met brandbommen wat blusmateriaal bij de hand te hebben. Onder de bedden lagen de persoonlijke vluchtkoffertjes met noodzakelijke kledingstukken en dergelijke. Gehecht als ik was aan mijn eigen bestek stopte ik er 's avonds ook mijn lepel en vork in. Nog hoor ik mezelf zeggen voor ik in bed stapte: 'Even kijken of er geen brandbom onder mijn bed ligt.' Pas na de oorlog realiseerde ik me dat het opklapbed waarin ik sliep in mijn bijzijn naar beneden werd geklapt.
Vanaf december 1941 ging ik naar de kleuterschool. Lopen van de Ceramstraat naar de Vest. Een koordje met naamplaatje om je nek en de dwingende instructie om bij luchtalarm waar dan ook aan te bellen. En waar ook, overal ging de deur open en zorgden volwassenen voor een goede opvang. Een keer, het zal 31 augustus 1942 geweest zijn denk ik, liep ik met een grote bos goudsbloemen in mijn hand. Voor de juffrouw. Uitgerekend die dag zou ik bij de ingang van het Merwesteinpark samen met klasgenootjes worden opgevangen door de juf. Geen punt om te vermelden, ware het niet dat precies tegenover deze plek een politiebureau was gevestigd. Oranje bloemen op - toen nog - Koninginnedag! Mijn moeder heeft een zware middag gehad, zwetend bij de gedachte dat deze daad als een provocatie zou kunnen worden uitgelegd. Het liep gelukkig goed af, zoals meer gebeurtenissen uit die jaren goed zijn afgelopen. Maar voor geen goud liep ik langs een bepaald pand aan de Sint Jorisweg, want daar stond een sirene op het dak. Stel je voor dat juist op dat moment luchtalarm zou worden gegeven. Na de oorlog werd het me duidelijk dat hier een brandweerpost zat. Overigens viel het luchtalarm de eerste oorlogsjaren wel mee, voor zover ik me herinner. Op de kleuterschool zaten we nooit onder de tafeltjes, dat kwam later.
Op school had ieder kind zijn eigen kapstokhaakje. Het mijne was herkenbaar aan een zwart plaatje van een opgevouwen paraplu. De schriftjes die we kregen om zelfgemaakte plaatjes in te plakken - als echt Dordts kind maakte ik vaak schepen - waren in 'oorlogsuitvoering', met kaftjes van behangselpapier. Feest vooral was het wanneer we, op weg naar school, gedropte papierstroken konden oprapen. De strookjes, zwart aan de ene kant, zilver aan de andere kant, werden 's nachts door de geallieerden afgeworpen om de radar van de Duitsers te misleiden. We namen ze mee naar school om er vlechtwerkjes van te maken. Op de speelplaats had ieder kind zijn eigen tuintje: twee zandbakken, een open en een overdekte onder de houten draagconstructie van het dak. Spelen in de overdekte zandbak vonden we waardeloos, want het zand was er veel te droog. De andere bak was een eldorado. Daar had je lekker klef zand, waarin je je heerlijk kon uitleven.

Klaas Muilwijk