Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Ons gezin in het laatste oorlogsjaar - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Ons gezin in het laatste oorlogsjaar


Ruim vijf jaar werkte ik bij het Distributiekantoor als controleuse. Volgens mijn arbeidsovereenkomst van 1 juni 1944 verdiende ik f 810,-- per jaar. Dat was f 67,50 per maand, waarvan 1% werd ingehouden voor de premie van de Ziektewet. Niet veel! En ik was de enige thuis die nog kon en mocht werken.

Wanneer destijds het Rode Kruis bloed nodig had, werden aan de mensen die bloed afgaven extra bonnen gegeven door het distributiekantoor. Mijn naaste collega en ik wilden graag iets bijverdienen met als 'overwerk' het uitreiken van die bonnen, maar durfden ons nooit spontaan aan te bieden. Wij wachtten eerst rustig af wanneer de chef vroeg wie dat wilde doen. Als zich niemand aanmeldde en de chef zei: "Dan wijs ik iemand aan", zeiden wij bescheiden: "Ik doe 't wel, meneer." Wij kregen dan 'n compliment van de chef en respect van de collega's.

Het werk was soms ook wel naar. 't Werk zelf niet, wij gaven gewoon bonnen uit, maar de zaal in 't Hof was eerst schoongemaakt met lysol en stonk dan erg . Bovendien liep men steeds met zakjes bloed langs onze tafel. En dan te bedenken dat onze magen vrijwel leeg waren. Ik denk dat ik mijn moeder met dat extra geld hielp, hoewel er 'niets of nog maar hl weinig' te koop was in dat laatste oorlogsjaar.

Terwijl bijna alle kantoren en zaken gesloten waren, bleef het Distributiekantoor natuurlijk open. Ik kwam mijn dagen goed door. Het werk en de omgang met de collega's gaf veel afleiding. Dat was thuis anders. Wij woonden in de Wijnstraat op nr. 67, vlakbij de Bonifaciuskerk. Mijn moeder, die al jong weduwe was geworden, was thuis met mijn zus en vier broers, van wie de jongste 14 jaar was. De andere drie hadden de leeftijd om naar Duitsland te worden gestuurd: dus 'n hele zorg. Wat zal zij bang zijn geweest toen wij inkwartiering kregen. Een Duitse officier (hij had 'n kaal hoofd) , kwam ons huis bekijken en besloot samen met zijn oppasser zijn intrek bij ons te nemen. Wij hadden een slaapkamer met 'n aansluitende kleine kamer, die 'n deur naar de gang had. Deze kamers werden hun tijdelijk domein.

De oppasser moet 'n aardige man zijn geweest. Hij moet geweten hebben hoe ons gezin in elkaar zat, en liet brood achter voor 'de kippen' die wij, zoals hij k wel wist, niet hadden. Hij was van Poolse afkomst en vertelde dat zijn broer in geallieerde dienst vocht, dus 'tegen hem'. Hij vond dat heel erg! Voordat de officier en hij gingen eten bij Hotel Bellevue luisterde hij bij ons eerst nog even naar de Engelse radio. Wou hij weten hoe het met zijn broer was?

Mijn moeder kreeg een betaalbewijs voor hun verblijf. Na enige weken verhuisde de officier met zijn oppasser naar Hotel Bellevue. Zonder te betalen! En van mijn broers vond dat zo oneerlijk, dat hij naar 't hol van de leeuw ging, Bellevue, waar hij tussen al die officieren 'de onze' zocht en vond, hem de bonnen gaf en ... 't geld kreeg. Hij vraagt zich nu nog af: "Hoe durfde ik? Ik had opgepakt kunnen worden."

Ondertussen maakten de broers 'n schuilruimte achter in 'n kleerkast. Toen 't achterschot werd weggehaald, kwam 'n ruimte achter de zoldertrap vrij. Zij hebben er gelukkig geen gebruik van behoeven te maken. Bij het maken van de schuilplaats kwam een plank te voorschijn, waarop stond: "Dordt, Augustus 1903 is dit huis gebouwd onder C. Tenenti, onder opperbaas Dubbiso, bijgenaamd mottige Janus. Wie dit vind moet naar hem informeren, waar hij is gebleven." ('Mottig' is pokdalig, geschonden door de pokken.)

De broers vonden het moeilijk om binnen te blijven en gingen ook op eten uit, vooral de Biesbosch in. Mijn moeder schreef in een brief aan haar zuster in Amsterdam: "Het rantsoen van deze week is 'n half brood en per hoofd 3 kilo suikerbieten , die niet te bekomen zijn. Vetkwallen kunnen we niet meer krijgen. De familie is op de helft verminderd, gelukkig niet in getal, maar wl in gewicht. We staan 3 uur in de rij voor 3 pond erwten en 4 uur voor zuurkool . Haar knippen kost 4 en scheren 3 aardappels." Het lijkt me verschrikkelijk om zo voor 'n groot, opgroeiend gezin te moeten zorgen, maar moeder bleef opgewekt.

Intussen was de Veldgendarmerie recht tegenover ons komen wonen, 22 man sterk. Veel buurtgenoten verhuisden of haalden kostbaarheden uit huis, uit angst voor 'n bombardement op 't bezette huis n de straat. Er woonden nu veel Duitsers in de straat, in de grote panden, ingekwartierd bij particulieren en in hotel Bellevue. Vandaar de angst. Vr het huis liep een soldaat op wacht. 's Avonds zat hij bij ons op de vensterbank met 't geweer in de aanslag. Terwijl de jongens 't huis in en uit liepen, lieten deze Duitsers ons ongemoeid. Toch werd 't langzamerhand onveilig, en vertrokken de broers naar hun onderduikadres: de Bonifaciuskerk. Zij verborgen zich achter 't altaar.

En dan uit de laatste brief van mijn moeder van 16 mei 1945: "Gelukkig vrij! De Engelsen schrokken ervan dat hier zo weinig eten is. Nu komt 't geregeld los, maar ik denk dat wij er niet meer tegen kunnen. Corry zit in de Benthienkazerne om nieuwe stamkaarten uit te reiken. 's Avonds heeft ze genoeg stof om te vertellen. Gisteren en vandaag kregen wij 9 ons biscuit per persoon. Gezinnen met kleine kinderen krijgen een pak uit Roosendaal, 'Zuid helpt Noord', met van alles er in, zelfs pepermunt.De landmijnen in de buurt worden door de Duitsers opgeblazen. Er zijn er wel niet veel meer, maar armzalig zoals ze vertrokken zijn, met paard en kar en velen lopend. Allen hartelijk gefeliciteerd met onze vrijheid! "

Corry Roest