Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Het barst hier van de geschiedenis - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Het barst hier van de geschiedenis

Voorstraat 2001

Zo op 't eerste gezicht niets aan te zien. Zwart granieten onderpui met achter glanzend vensterglas uitbundig geklede paspoppen in bevallige poses. Overal in de omgeving sporen reclamekreten en fraai versierde etalages aan tot het laten rollen van de zuur verdiende centen. Een broodjeszaak verkoopt zijn vers gemaakte waar tussen palmbomen en in de verte is, als men goed kijkt, het Stadskantoor te zien. Pas wanneer je omhoog kijkt, of op het juiste tijdstip goed luistert, zie je dat dit plekje barst van de geschiedenis.


Voorstraat, 1532

Op een miezerige dag in november loopt schout Jacob Joostzoon Oem over de Pelserstraat, die vanaf de Pelserbrug de Voorstraat kruist en doorloopt in de richting van de Spuihaven. De huisjes om hem heen worden bewoond door wat de mensen aan de overkant van de Voorstraathaven 'kleine luyden' noemen. Zadelmakers, zakkendragers, metselaars, timmerlieden. Eerlijke, hardwerkende en zonder uitzondering, arme mensen. In deze buurt is het voor een heer van stand altijd oppassen geblazen, want zelfs voor een schoengesp van de heer Oem zouden sommige lieden in deze buurt letterlijk een moord doen. Plotseling klinkt er rumoer uit de richting van de Voorstraat: "Moord, doodslag!", krijst een vrouwenstem. Schout Oem herkent deze stem als geen andere. Het is Dikke Nel, sinds kort werkzaam als dienster bij 't Oude Ancker. Dit etablissement is een van de smerigste, aftandse en daarom ook drukste kroegen van het Vierde Kwartier, zeer geliefd bij de buurtbevolking en ook bij scheepslieden van lagere rang.

Dikke Nel is inmiddels op de hoek van de Pelserstraat en Voorstraat aangeland, waar zij de toegesnelde schout aanklampt. "Heer schout, 't is verschrikkelijk! In de kelder, de kelder! De Duivel is in de kelder!!!" De schout kan geen zinnig woord uit de vrouw krijgen, en besluit daarom zelf op onderzoek uit te gaan in 't Oude Ancker. Aangekomen in de gelagkamer moet hij zich door een onwelriekende massa mannen heen wurmen. Sommigen herkennen ofwel hem, ofwel zijn uniform, en gaan beleefd opzij. Anderen, met name een groep dronken Engelse zeelieden, zijn niet gediend van dit, naar hun mening opdringerige heerschap. Pas nadat hij met dreigende blik zijn hand op zijn sabel heeft gelegd, wijken ook de laatsten uit en kan Schout Jacob verder lopen in de richting van de toog. Hier vindt hij Dikke Cees, de gigantische, zij het wat sullige hulpkastelein.

"Ik zoek Jan Smit", zegt de schout kortaf. "Die is er vandoor", antwoordt Dikke Cees. "Een maand geleden is 't hele stel vertrokken. Ze hebben hun hele hebben en houwen meegenomen en de boel aan mij overgelaten. Vandaag ging Nel de kelder uitruimen, en zonet kwam ze schreeuwend naar boven." De schout besluit dat het antwoord op zijn vragen zich dan wel in de kelder zal bevinden, en daalt de smalle, donkere trap achter de toog af. Als hij de deur naar de voorraadkelder opent, ruikt hij het meteen: ergens in dit rommelige hok bevindt zich een lijk, misschien wel meer dan een.

Twaalf dagen later. Inmiddels is de gehele keldervloer opengebroken, en zijn er in totaal dertien lichamen geborgen. De slachtoffers zijn allemaal om het leven gebracht door bijlslagen. Intussen is een koerier gestuurd naar de Vroedschap van Mechelen, de stad waar Jan Smit naar toe gevlucht zou zijn. Daar zijn ze inmiddels naar hem op zoek. Schout Oem zit in zijn werkvertrek als Gijs Pot, zijn trouwe klerk, binnenkomt. "Heer Schout, er is bericht uit Vlaanderen", zegt hij.

De duivelse Jacob Smit blijkt in Mechelen zijn beulswerk te hebben voortgezet en is inmiddels weer naar het noorden gevlucht, nadat hij er lucht van kreeg dat de Mechelse schout naar hem op zoek was. Meteen geeft Jacob Jacobsz Oem opdracht vervoer te regelen. Vergezeld van vier van zijn rekels gaat hij scheeps in de richting van Antwerpen, waar Smit het laatst gezien zou zijn. De boot, een vrachtschip van het type 'bom', is volgeladen met varkens, waardoor een wee geur vanuit het ruim naar het dek opstijgt. Onwillekeurig doet deze geur Oem denken aan de geur in de kelder van 't Oude Ancker, een gedachte die hem een misselijk gevoel bezorgt en hem de gehele reis niet meer loslaat.

De boot vaart de Striene op, een zijtak van de Schelde, die bij Dordrecht uitmondt in de Maas. Plotseling roept Klaas Bot, een van Jabobs rekels: "Daar, in het riet! Pieter Smit!" In een kleine roeiboot staat een slungelige jongen hardop te huilen. "Vader," snikt hij, "de Gehoornde heeft zijn dienaar teruggenomen. Wee ons trouwelingen!" De rekels springen uit de boot en grijpen Pieter en zijn jongere broer Carel. Ook vinden zij Jan Smit, die dodelijk gewond is door een pijl.

Na een kort proces, voorgezeten door Jacob Oem en Francois de Bouillon, de Inquisiteur van het Bisdom Holland, worden Pieter en Carel Smit veroordeeld tot de vuurdood. Het vonnis wordt voltrokken op het Beulsplein, voor de oude Vuilpoort. De gevangenen worden eerst gebrandmerkt met een gloeiende bijl. Dertien maal, n keer voor elke moord. Tot afgrijzen van het inmiddels toegestroomde publiek geven ze geen krimp. Daarna worden de jonge mannen vastgebonden aan een hefboom, waarmee ze in een houtvuur gedoopt worden tot ze van uitputting en verbranding sterven. Als laatste sterft Pieter, die kort voor hij bezwijkt uitschreeuwt: "Wacht u voor de wraak van de Gehoornde, onze meester! Als de winter vierhonderd en zeventig maal is ingetreden zal Hij terugkeren in deze stad!"

2002 belooft een interessant jaar te worden...

Sietze Dijkstra