Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Belgische vluchtelingen - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Belgische vluchtelingen


Door het krantenbericht dat er vanmiddag Belgische vluchtelingen in Dordrecht zullen aankomen, heeft zich een grote menigte voor het station verzameld. Samen met Gerard sta ik temidden van een groep mensen die zich voor de uitgang verdringen. Er wordt zo erg geduwd en gedrongen dat de politie een breed pad moet vrijhouden om het de reizigers mogelijk te maken het station binnen te komen of te verlaten. De eerste vluchtelingen zijn een paar uur geleden met een overvolle trein uit het Zuiden aangekomen en naar de wachtkamers gebracht. Van daaruit worden zoveel mogelijk mensen voorzien van onderkomen bij Dordtse burgers. De overgeblevenen gaan naar de houten schouwburg, het sportgebouw van de Bond van Lichamelijke Opvoeding en de gymnastieklokalen aan het Stek.

Daar komt een lange rij Belgen naar buiten. De kijkers dringen steeds verder naar voren, zodat de Hermandad grote moeite heeft om hen in bedwang te houden. Mannen, vrouwen en kinderen lopen vermoeid, en met verwonderde gezichten als een klit op elkaar, tassen, manden, koffers en allerlei bagage met zich meezeulend. Traag vorderen zij op hun weg naar het midden van het plein.
"Kijk daar eens", fluistert Gerard in mijn oor, "dat grootmoedertje heeft een kanariekooi bij zich en er zit niet eens een vogeltje in."
"Jawel joh, ik zie dat pietje dood op de bodem liggen, met z'n pootjes omhoog!"
"Ruimte burgers, ga wat opzij, je ziet toch dat die mensen er onmogelijk door kunnen!", gebiedt een gehelmde politieman, terwijl hij naar het gevest van zijn sabel grijpt.
Schuifelend komt een moedertje voorbij met een krijsende baby op haar arm. Nu ze vlak voor ons is, zien we dat zij ook nog een dreumes aan haar rokken meezeult. Daarachter volgt een viertal, hun spullen met zich meetorsend. Zeker vader, moeder en twee al wat oudere dochters. Wat zien deze mensen er verschrikkelijk uit! Ze moeten de laatste weken heel veel hebben meegemaakt. Hun vale gelaatstrekken, kringen onder de ogen en vuile, verfomfaaide kleren, verraden dat ze voor het leger op de vlucht zijn geweest als opgejaagde dieren. Wellicht sliepen ze op koude vloeren van een kelders of zomaar op de vochtige straat. Een man met een stoppelbaard en grote puntsnor, heeft een rieten koffer onder de ene arm en een met paktouw omwonden bundel onder de andere. Een vrouw met verwarde haren kijkt angstig achterom en roept: "Gastonneke, wa blefde gij? wa stoade ge nou da te klappe?" Maar als het zoontje zich naar voren wurmt, glunderend een groot stuk chocola in z'n mond proppend, verschijnt er een glimlach om haar mond. Een man met een kruk baant zich morrend een weg, een gewond been meeslepend. Kijk daar: een dreumes, een meiske van een jaar of vier loopt huilend tussen de vluchtelingen, op zoek naar vader of moeder. "Awel, de Belzen meugen nooit niet vergten wa d'nollanders voor ze doen. Gij lieden zain 'ier veuls te goe", zegt een vrouwtje, terwijl ze met liefde toeziet hoe iemand kaakjes uitdeelt aan haar kleinen. "De minsen zein 'ier veuls te goe, menierke."

Als de stoet midden op het plein stopt, zijn Gerard en ik er als de kippen bij om niets van het schouwspel te missen. Ginds zien we een schuwe man, een soort scharenslijper, met een zware borstelknevel die tot over de onderlip hangt. Hij is alleen, schijnt de drukte te mijden. Voorzichtig haalt hij uit een grauwe bundel een scheepsbeschuit en kauwt schichtig om zich heen ziend, denkend dat men misschien om hem zal lachen. Als wij in zijn richting kijken, laat hij zijn hoofd op de borst zakken en beweegt de kaken niet meer. Een bruinharige hond zit naast hem, de grote ogen vragend op de beschuit gericht. Even verderop zit een dikke kerel met blonde snor en rode wangen, wellicht een herbergier of brouwer, met pijnlijk roodgeweende ogen. Een klein meisje met blote beentjes is dicht tegen hem aangedrukt ingedommeld, evenals de grote kerel zelf. Zij hebben hier nauwelijks tien minuten gezeten en zijn zo oververmoeid dat de slaap hen overvalt. Kijk, ze schrikken wakker door het luid blaffen van een hond. Wij jongens, altijd druk en uitgelaten, staan nu verbouwereerd naar deze onmenselijke ellende te staren.

Een tiental passen van ons af staat een gehelmde agent. Het lijkt net of hij de wacht houdt over een verzameling bagage die de vluchtelingen daar hebben neergezet. Er tussen staat een Belgisch vrouwtje met een paar vinnige ogen in haar hoofd, vol aandacht naar een heer met bolhoed te kijken, die ijverig iets in een boekje noteert. Zij reikt niet hoger dan zijn schouder
"Zeker een verslaggever", bedenkt Gerard, en al snel staan hij en ik aan weerszijden van de man om te luisteren waarover het gaat.
"Waar woonde u in Belgi?", vraagt hij.
"Je demeurai Campenhout, un village entre Bruxelles et Melines."
"Als ik het wel heb, dat is tussen Brussel en Mechelen. Spreekt u ook Vlaams?'
"Awel, zulle ik klappen 'n bietje Vloams?"
"Wilt u iets vertellen van wat er de laatste weken is gebeurd?"
Even denkt ze na, alsof ze in tweestrijd is, maar dan schieten haar ogen vuur, terwijl ze voort gaat: "Iek, m'n vent en me drai keuters wierden in ons aigen oois drai doage in den kelder opgeslte, zonder da w'al dien taid wa t'eten krege? In dien taid zette de Moffe de blommekes boaite, ja, bai ons in oois! Clair 't enigste koebiest wierd geslacht. De duvers b?kte en broaide op den stoof? in de keuken sjuust bove onze oofde, een wai zoate te veroe'gere. De smerlappe gongen nog wijer. Z'oalde ons vent ait den kelder, bevoale 'm de kop, de beulings en de dermen van ons Clair in nen pit te smeite, en slpte, 'em werom noar den opperzolder, waar 't um mee bajonette gestoke en mee gewerkolve in mekoar gestampt wierd. Mer doed al livend wert'um noa den kelder werom geslipt. Den noasten morrugen wierde wai ait den kelder gesleurd, omda de Daitse smerlappe noa Buckenhuot op de lop gonge. 'Ier wierde wai in nun school mee drai'oenderd lieden as prisonjies noa toe gebracht. Nen Daitse Hauptman verordeonneerde op ons onwerboare lieden te schieten"?. Hier stokt ze van emotie? "Nen soldoat, die waigerde dees beulsorder ut te voeren, wierd veur den kop geschote. Deur nen miroakel z'ain 'k gered geworde!"

Diep onder de indruk, maar ook wel opgewonden door alle belevenissen, kijken Gerard en ik tegelijk naar de stationsklok. Allemachtig wat is het al laat geworden! Vlug huiswaarts, anders zwaait er wat. Ons leventje neemt weer z'n gangetje, maar nooit zullen we deze dramatische gebeurtenis vergeten.

G.M. Brugman